Ford Galaxy - aug 2010 - okt 2010 Manual

Ford Personbil Galaxy - aug 2010 - okt 2010

Læs nedenfor 📖 manual på dansk for Ford Galaxy - aug 2010 - okt 2010 (340 sider) i kategorien Personbil. Denne guide var nyttig for 8 personer og blev bedømt med 4.5 stjerner i gennemsnit af 2 brugere

Side 1/340
Feel the difference
FordGalaxy
FordS-MAX
Instructieboekje
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de
technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen
zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan,
mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
© Ford Motor Company 2010
Alle rechten voorbehouden.
Onderdeelnummer: (CG3533nl) 05/2010 20100707073513
E108837
Inleiding
Over deze handleiding..............................7
Overzicht van symbolen...........................7
Onderdelen en accessoires....................7
Kort overzicht
Kort overzicht............................................11
Veiligheidsuitrusting voor
kinderen
Kinderzitjes...............................................23
Zitverhogers.............................................24
Plaatsing van kinderzitjes.......................25
ISOFIX verankeringspunten...................28
Kindersloten.............................................29
Bescherming van
inzittenden
Werking.....................................................31
Veiligheidsgordels vastmaken..............33
Hoogte van veiligheidsgordels
afstellen.................................................35
Waarschuwingssignaal
veiligheidsgordel..................................35
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
zwangerschap.....................................36
Passagiersairbag uitschakelen.............36
Sleutels en afstandsbe-
diening
Algemene informatie over
radiofrequenties..................................38
Programmeren van de
afstandsbediening...............................38
Batterij van afstandsbediening
vervangen.............................................38
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen............43
Centrale vergrendeling..........................45
Sleutelloze toegang................................47
Motorstartblokkering
Werking.....................................................51
Gecodeerde sleutels...............................51
Immobilisatiesysteem inschakelen.......51
Immobilisatiesysteem uitschakelen......51
Alarm
Werking.....................................................52
Alarm inschakelen...................................54
Alarm uitschakelen.................................54
Stuurwiel
Stuurwiel afstellen...................................56
Audiobediening.......................................56
Ruitenwissers en ruiten-
sproeiers
Voorruitwissers........................................58
Automatisch in- en uitschakelende
ruitenwissers........................................58
Voorruitsproeiers.....................................59
Voorruitsproeiers afstellen.....................59
Achterruitwissers en -sproeiers...........60
Koplampsproeiers..................................60
Ruitenwisserbladen controleren..........60
Ruitenwisserbladen vervangen.............61
Technische specificatie..........................62
Verlichting
Verlichtingsbediening.............................63
Dagrijlicht..................................................64
Automatisch in- en uitschakelende
verlichting..............................................64
Automatische grootlichtregeling .........64
Voorste mistlampen...............................66
Mistachterlichten.....................................66
Koplampen afstellen - Auto's met
Adaptieve verlichting, voor/Xenon
koplampen............................................67
Koplamphoogte afstellen......................67
1
Inhoudsopgave
Waarschuwingsknipperlichten..............68
Adaptief verlichtingssysteem, voor
(AFS)......................................................68
Richtingaanwijzers..................................70
Interieurverlichting...................................70
Een koplamp verwijderen.......................71
Gloeilampen vervangen.........................72
Gloeilampentabel.....................................81
Ruiten en spiegels
Elektrisch bedienbare ruiten.................83
Buitenspiegels.........................................85
Elektrisch verstelbare
buitenspiegels......................................85
Automatisch dimmende spiegel...........87
Achterste zijruiten....................................87
Monitor dode hoek ................................89
Instrumenten
Meters.......................................................92
Waarschuwings- en
indicatielampen....................................94
Akoestische waarschuwingssignalen
en -indicaties........................................97
Infodisplays
Algemene informatie..............................98
Tripcomputer..........................................107
Persoonlijke instellingen.......................109
Infoberichten............................................111
Klimaatregeling
Werking...................................................122
Ventilatieroosters...................................122
Handmatige klimaatregeling................123
Automatische klimaatregeling.............126
Verwarmde ruiten en spiegels............130
Extra verwarming...................................131
Stoelen
De juiste zitpositie innemen.................137
Handmatig verstelbare stoelen...........137
Elektrisch verstelbare stoelen.............138
Hoofdsteunen........................................140
Achterbank.............................................140
Verwarmde stoelen..............................145
Geventileerde stoelen..........................145
Armleuning, voor...................................146
Gemaksfuncties
Zonneschermen ...................................147
Dimmer
instrumentenpaneelverlichting........148
Klok..........................................................149
Aansteker...............................................149
Asbak......................................................149
Extra voedingsaansluitingen................150
Bekerhouders........................................150
Dashboardkastje....................................151
Opbergruimtes.......................................151
Wegenkaartopbergvakken.................153
Rugleuningtafeltjes................................153
Glashouder ............................................153
Geheugenfunctie..................................153
Kinder observatiespiegel ....................155
CD-wisselaar..........................................155
Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
..............................................................155
USB-poort..............................................156
Vloermatten ...........................................156
De motor starten
Algemene informatie.............................157
Contactslot.............................................157
Sleutelloos starten.................................157
Stuurwielblokkering...............................159
Een benzinemotor starten...................160
Een benzinemotor starten - Flex Fuel
(FF, ethanol).........................................161
2
Inhoudsopgave
Een dieselmotor starten.......................162
Dieselroetfilter (DPF).............................162
Motor uitschakelen...............................163
Motorverwarming..................................163
Eco-modus
Werking...................................................164
Eco-modus gebruiken.........................164
Brandstof en tanken
Veiligheidsmaatregelen........................165
Brandstofkwaliteit - Benzine................165
Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF,
ethanol)...............................................165
Brandstofkwaliteit - Diesel...................166
Katalysator..............................................166
Tankklep..................................................166
Tanken.....................................................168
Tanken - Flex Fuel (FF, ethanol)..........168
Brandstofverbruik .................................168
Technische specificatie........................168
Versnel-
lingsbak/transmissie
Handgeschakelde versnellingsbak.....171
Automatische transmissie....................171
Remmen
Werking...................................................174
Tips voor rijden met ABS......................174
Parkeerrem.............................................174
Elektronische parkeerrem (EPB)........175
Stabiliteitsregeling
Werking...................................................179
Gebruik maken van
stabiliteitsregeling...............................179
Regeling voor bergop
rijden
Werking....................................................181
Regeling voor bergop rijden
gebruiken.............................................181
Actieve schokdemperre-
geling
Werking...................................................184
Gebruik van de actieve
schokdemperregeling .....................184
Parkeerhulp
Werking...................................................185
Gebruik maken van de
parkeerhulp.........................................185
Achteruitkijkcamera
Werking...................................................187
Achteruitkijkcamera gebruiken...........187
Snelheidsregeling (cruise
control)
Werking...................................................190
Gebruik maken van snelheidsregeling
(cruise control)...................................190
Adaptieve snelheidsre-
geling (ACC)
Werking...................................................192
Gebruik maken van ACC.....................193
Functie voorgangerwaarschuwing
(forward alert).....................................197
Snelheidsbegrenzer
Werking...................................................199
Snelheidsbegrenzer gebruiken ..........199
Bestuurderswaar-
schuwing
Werking...................................................201
3
Inhoudsopgave
Bestuurderswaarschuwing
gebruiken............................................201
Waarschuwing rijdenbuiten
baan
Werking..................................................203
Waarschuwing rijden buiten baan
gebruiken...........................................204
Transport
Algemene informatie............................206
Bagageverankeringspunten...............207
Schuifbare laadvloer ............................209
Opbergruimte onder vloer achterin....210
Bagagenetten.........................................211
Bagageafdekkingen.............................214
Dakrekken en bagagedragers............214
Bevestigingspunten voor lading ........216
Hondenrek ............................................220
Aanhangers trekken
Trekken van een aanhanger...............223
Afneembare trekhaakkogel................223
Afneembare trekhaakkogel ...............226
Tips voor het rijden
Inrijden....................................................230
Voorzorgsmaatregelen voor koude
weersomstandigheden...................230
Door water rijden..................................230
Nooduitrusting
Eerstehulpset.........................................231
Gevarendriehoek..................................231
Zekeringen
Plaatsen zekeringenhouders..............232
Een zekering vervangen.....................233
Specificatie-overzicht zekeringen.....234
Bergen van de auto
Sleeppunten..........................................243
Auto op vier wielen slepen..................244
Onderhoud
Algemene informatie............................245
De motorkap openen en sluiten........246
Overzicht motorruimte - 2,0 l
Duratec-HE (MI4)..............................247
Overzicht motorruimte - 2,0 l EcoBoost
SCTi (MI4)...........................................248
Overzicht motorruimte - 2,3 l
Duratec-HE (MI4)..............................249
Overzicht motorruimte - 2,0 l
Duratorq-TDCi (DW) diesel .............250
Overzicht motorruimte - 2,2 l
Duratorq-TDCi (DW) diesel .............252
Oliepeilstaaf - 2,0 l Duratec-HE (MI4)/2,3
l Duratec-HE (MI4)............................253
Oliepeilstaaf - 2,0 l EcoBoost SCTi
(MI4)....................................................253
Oliepeilstaaf - 2,0 l Duratorq-TDCi (DW)
diesel /2,2 l Duratorq-TDCi (DW)
diesel ..................................................253
Motorolie controleren..........................253
Motorkoelvloeistof controleren..........254
Controle vloeistofpeil koppeling en
remsysteem.......................................255
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren.........................................255
Ruitensproeiervloeistof controleren...255
Technische specificatie.......................256
Verzorging van de auto
Reinigen van buitenzijde auto.............258
Reinigen van binnenzijde auto............259
Kleine lakschade repareren................259
Accu van de auto
Gebruik van startkabels.......................260
Aansluitpunten van de accu ...............261
4
Inhoudsopgave
Velgen en banden
Algemene informatie............................262
Een wiel vervangen..............................262
Bandenreparatieset ............................265
Verzorging van banden.......................269
Gebruik van winterbanden..................270
Gebruik van sneeuwkettingen...........270
Bandenspanningcontrolesysteem.....270
Technische specificatie........................272
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatieplaatje..................274
Voertuigidentificatienummer (VIN).....274
Technische specificaties
Technische specificatie........................275
Telefoon
Algemene informatie............................281
Setup Bluetooth.....................................281
Setup telefoon......................................282
Bedieningselementen telefoon..........283
Gebruik maken van de telefoon - Auto's
zonder Navigatiesysteem ...............283
Gebruik maken van de telefoon - Auto's
met Navigatiesysteem ....................286
Spraaksturing
Werking..................................................289
Spraakgestuurd regelsysteem
gebruiken...........................................289
Commando’s audio-unit ....................290
Commando’s telefoon........................300
Commando’s navigatiesysteem........305
Commando’s klimaatregeling............305
Verbinding
Algemene informatie............................308
Extern apparaat aansluiten ................309
Extern apparaat aansluiten - Auto's met
Bluetooth.............................................310
USB-apparaat gebruiken ....................310
iPod gebruiken ......................................313
Introductie navigatie
Rijveiligheid ............................................318
Navigatiesysteem
Introductie ..............................................319
Bijlagen
Typegoedkeuringen..............................321
Typegoedkeuringen..............................321
Typegoedkeuringen.............................322
Elektromagnetische compatibiliteit....323
5
Inhoudsopgave
6
OVER DEZE HANDLEIDING
Hartelijk dank voor het kiezen van een
Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om
uw auto goed te leren kennen door dit
instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe
meer u van uw auto afweet, des te beter
kunt u ermee omgaan en dat komt de
veiligheid en het rijplezier ten goede.
WAARSCHUWING
Rijd altijd voorzichtig en oplettend
wanneer u de bedieningselementen
en functies van uw auto bedient.
N.B.:
In deze handleiding worden de
producteigenschappen en beschikbare
opties van de gehele serie beschreven
(soms zelfs wanneer deze nog niet
algemeen verkrijgbaar zijn). Soms worden
opties beschreven waarmee uw auto niet
is uitgerust.
N.B.:
Gebruik uw auto altijd volgens de
geldende regels en wetgeving.
N.B.:
Overhandig bij verkoop van uw auto
dit instructieboekje aan de nieuwe
eigenaar. Het instructieboekje is een
onderdeel van de auto.
OVERZICHT VAN
SYMBOLEN
Symbolen in dit
instructieboekje
WAARSCHUWING
U riskeert de dood of ernstige
verwonding van uzelf en anderen
wanneer u niet de instructies
opvolgt waarop u door dit
waarschuwingssymbool wordt
geattendeerd.
LET OP
U riskeert beschadiging van uw auto
wanneer u niet de instructies opvolgt
waarop u door dit
waarschuwingssymbool wordt
geattendeerd.
Symbolen op uw auto
Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan
eerst de betreffende instructies in dit
instructieboekje en volg deze op voordat
u iets aanraakt of probeert af te stellen.
ONDERDELEN EN
ACCESSOIRES
Nu kunt u er zeker van zijn dat
uw Ford onderdelen Ford
onderdelen zijn.
U Ford is volgens de hoogste normen
gebouwd met gebruik van Originele Ford
onderdelen van hoge kwaliteit. Met als
resultaat dat u er vele jaren met plezier in
kunt rijden.
Mocht het onverwachte plaatsvinden en
een belangrijk onderdeel moet worden
vervangen, dan raden wij u aan met niets
minder dan Originele Ford Onderdelen
genoegen te nemen.
Het gebruik van Originele Ford
Onderdelen verzekert dat uw auto in de
oorspronkelijke staat wordt teruggebracht
en zijn maximale restwaarde behoudt.
7
Inleiding
Originele Ford Onderdelen voldoen aan
de strenge veiligheidseisen en hoge eisen
ten aanzien van pasvorm, afwerking en
betrouwbaarheid. Eenvoudig gezegd: zij
staan in voor de laagst mogelijke
reparatiekosten, inclusief onderdelen en
arbeidsloon.
Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat
werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn
gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de
volgende onderdelen zichtbaar wanneer
Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt.
Wanneer uw auto moet worden
gerepareerd, kijk dan of het duidelijk
zichtbare Ford beeldmerk te zien is en
controleer of uitsluitend Originele Ford
Onderdelen zijn gebruikt.
Kijk voor het Ford logo op de
volgende onderdelen
Plaatwerk
Spatscherm
Motorkap
Portieren
Kofferdeksel of achterklep
E94714
Bumper en radiateurgrille
Radiateurgrille
Voor- en achterbumper
8
Inleiding
Buitenspiegel
E94716
Ruit
Achterruit
Glazen dak
Zijruiten
Voorruit
E94717
Verlichting
Achterlichtunits
Koplampen
9
Inleiding
E94718
10
Inleiding
KORT OVERZICHT
Overzicht instrumentenpaneel - stuur links
A
W TU Q PS R OV
B EC F G IH J K L M ND
E74123
11
Kort overzicht
Overzicht instrumentenpaneel - stuur rechts
QP RSTUWO V
LKM N
E75798
ABE GDC
JH
I
F
Lichtschakelaars. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 63).
A
Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 122).
B
Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 70). Toetsen van
telefoon. Zie Bedieningselementen telefoon (bladzijde 283). Toetsen
van spraakbediening. Zie Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken
(bladzijde 289). Bedieningstoetsen waarschuwingssysteem verlaten rijstrook.
Zie Waarschuwing rijden buiten baan (bladzijde 203).
C
Bedieningselementen audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 56).
D
12
Kort overzicht
Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 92).
E
Toetsen van het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 98).
F
Ruitenwisserschakelaar. Zie Voorruitwissers (bladzijde 58).
G
Audio- of navigatiesysteem. Zie afzonderlijke handleiding.H
Schakelaar stabiliteitsregeling (ESP). Zie Gebruik maken van
stabiliteitsregeling (bladzijde 179).
I
Schakelaar parkeerhulp. Zie Gebruik maken van de parkeerhulp
(bladzijde 185).
J
Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie
Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 68).
K
Controlelampje airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie
Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 36).
L
Opbergvak. Zie Opbergruimtes (bladzijde 151).
M
Schakelaars voor- en achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en
spiegels (bladzijde 130).
N
Bedieningselementen klimaatregeling. Zie Handmatige klimaatregeling
(bladzijde 123). Zie Automatische klimaatregeling (bladzijde 126).
O
Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 149).
P
Startknop. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 157).
Q
Contactslot.R
Schakelaars cruise control en snelheidsbegrenzer. Zie Gebruik maken
van snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 190). Schakelaars
adaptieve snelheidsregeling (ACC). Zie Gebruik maken van ACC (bladzijde
193). Schakelaars snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer
gebruiken (bladzijde 199).
S
Verstelhendel stuurkolom. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 56).
T
Knieairbag voor bestuurder. Zie Werking (bladzijde 31).
U
Claxon.V
Schakelaars cruise control en snelheidsbegrenzer. Zie Gebruik maken
van snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 190). Schakelaars
adaptieve snelheidsregeling (ACC). Zie Gebruik maken van ACC (bladzijde
193). Schakelaars snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer
gebruiken (bladzijde 199).
W
13
Kort overzicht
Elektrische kinderveilig-
heidssloten
Zie Kindersloten (bladzijde 29).
Keyless entry (sleutelloze
toegang)
E78276
Voor het passief vergrendelen en
ontgrendelen is een geldige passive key
nodig die zich in de omgeving van een
van de drie externe detectiezones
bevindt.
Auto ontgrendelen
E78278
Trek een portierkruk uit om alle portieren
en de achterklep te ontgrendelen en het
alarmsysteem uit te schakelen.
Auto vergrendelen
E87384
E87435
14
Kort overzicht
Zie Sleutelloze toegang (bladzijde
47).
Stuurwiel instellen
WAARSCHUWING
Verstel nooit het stuurwiel als de
auto in beweging is.
1
2
2
E95178
3
E95179
Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 56).
Automatisch wissen
E70315
B
A
C
Hoge gevoeligheidA
AanB
Lage gevoeligheidC
Stel de gevoeligheid van de regensensor
met de draaiknop in.
Zie Automatisch in- en
uitschakelende ruitenwissers
(bladzijde 58).
Ruitenwisserbladenvervangen
LET OP
U kunt de onderhoudsstand in de
winter gebruiken om de
ruitenwisserbladen eenvoudiger te
kunnen bereiken om deze vrij te maken
van sneeuw en ijs. De voorruitwissers
keren in hun normale stand terug zodra
u het contact inschakelt, u moet er dus
voor zorgen dat de buitenzijde van de
voorruit geheel vrij is van sneeuw en ijs
voordat u het contact inschakelt.
15
Kort overzicht
E75184
A
E75188
Zet het contact af en zet binnen drie
seconden de ruitenwisserhendel in de
stand A. Laat de hendel los wanneer de
ruitenwissers in de onderhoudsstand
staan.
Zie Ruitenwisserbladenvervangen
(bladzijde 61).
Automatisch in-/uitschakelde
verlichting
E70719
Afhankelijk van het omgevingslicht gaan
de koplampen automatisch aan en uit.
Zie Verlichtingsbediening (bladzijde
63).
Automatische
grootlichtregeling
WAARSCHUWING
Het systeem is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn. Een
handmatige deactivering kan nodig zijn
indien het systeem het grootlicht niet in-
of uitschakelt.
Het systeem schakelt automatisch
grootlicht in indien het voldoende donker
is en er geen ander verkeer is. Indien het
system de koplampen of achterlichten
van een naderend voertuig waarneemt,
of de straatverlichting vóór de auto,
schakelt het systeem het grootlicht uit
voordat het andere weggebruikers kan
verblinden. Dimlicht blijft ingeschakeld.
Zie Automatische
grootlichtregeling (bladzijde 64).
Richtingaanwijzers
E70727
16
Kort overzicht
N.B.:
Beweeg de
richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog
of omlaag om de richtingaanwijzers
driemaal te laten knipperen.
Elektrisch bedienbare ruiten
N.B.:
Open de tegenovergestelde ruit
enigszins om windgeluiden of schudden
door windstoten te voorkomen wanneer
één ruit open staat.
Zie Elektrisch bedienbare ruiten
(bladzijde 83).
Elektrisch inklapbare
buitenspiegels
E72623
Zie Elektrisch verstelbare
buitenspiegels (bladzijde 85).
Buitenspiegels naar beneden
kantelen bij achteruitrijden
Afhankelijk van de ingestelde
spiegelstand, zal de betreffende
buitenspiegel kantelen wanneer u de
achteruit inschakelt, zodat u de
trottoirband kunt zien.
Wanneer u deze voorziening voor de
eerste keer gebuikt, kantelen de spiegels
in een standaard ingestelde stand. U kunt
de hoek waarmeer de spiegels kantelen
instellen.
Zie Elektrisch verstelbare
buitenspiegels (bladzijde 85).
Informatiesysteem dode hoek
(BLIS)
WAARSCHUWING
Gebruik het systeem niet als een
vervanging voor de buiten- en
binnenspiegels en het over de
schouder kijken bij het veranderen van
rijstrook. Het systeem is geen vervanging
voor voorzichtig rijden en mag alleen
worden gebruikt als hulpmiddel.
Het systeem is voorzien van een geel
controlelampje in de buitenspiegels.
E124736
Zie Monitor dode hoek (bladzijde 89).
17
Kort overzicht
Informatiedisplays
E70499
Navigeer met de pijltjestoetsen door de
menu's en druk op OK om een keuze te
maken.
Zie Infodisplays (bladzijde 98).
Handbediende klimaatregeling
Aanbevolen instellingen voor
koeling
E131534
Open de luchtroosters in het midden en
aan de zijkant.
Richt de middelste luchtroosters naar
boven en de luchtroosters aan de zijkant
op de zijruiten.
Aanbevolen instellingen voor
verwarming
E131535
Sluit de middelste luchtroosters en open
de luchtroosters aan de zijkant.
Richt de luchtroosters aan de zijkant op
de zijruiten
Voorruitontdooienenontwasemen
E71382
Zie Handmatige klimaatregeling
(bladzijde 123).
Automatische klimaatregeling
E70304
Zie Automatische klimaatregeling
(bladzijde 126).
Stationair toerental na het
starten
Na het starten van een koude motor is
het stationaire toerental hoger dan
normaal.
18
Kort overzicht
Zie De motor starten (bladzijde 157).
Keyless starten
E85766
Druk de startknop in.
Motor uitschakelen bij rijdende
auto
WAARSCHUWING
Het uitschakelen van de motor
terwijl de auto nog rijdt, resulteert in
het verlies van de rem- en
stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
stuurkracht vereist. Wanneer het contact
wordt uitgeschakeld, kunnen ook
sommige elektrische circuits,
waarschuwings- en controlelampjes
uitgeschakeld worden.
Houd de startknop twee seconden
ingedrukt of druk er driemaal binnen drie
seconden op.
Zie Sleutelloos starten (bladzijde 157).
Dieselroetfilter (DPF)
WAARSCHUWING
Laat de motor niet stationair draaien
of parkeer de auto niet op droge
bladeren, droog gras of ander
brandbaar materiaal. Het
DPF-regeneratieproces werkt met
bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen
en na het uitschakelen van de motor en
tijdens en na DPF-regeneratie blijft de
uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte
uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar
van brand.
Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde
162).
Klep van brandstofvulopening
E86613
Druk op de klep om deze te openen.
Open de klep volledig tot hij vergrendelt.
E119080
19
Kort overzicht
Breng het vulpistool tot en met de eerste
nok op het vulpistool in. Laat het rusten
op de afdekking van de vulbuis.
WAARSCHUWING
Wij raden aan minimaal 10 seconden
te wachten alvorens het vulpistool
uit de vulbuis te halen, zodat alle
achtergebleven brandstof in de
brandstoftank kan stromen.
E119081
Til het vulpistool licht op om het te
verwijderen.
Zie Tankklep (bladzijde 166).
Handgeschakelde
versnellingsbak
Achteruitversnelling inschakelen
E99067
Bij sommige auto's moet de kraag
omhoog worden gebracht tijdens
inschakelen van de achteruit.
Zie Handgeschakelde
versnellingsbak (bladzijde 171).
Automatische transmissie
N.B.:
Trap het rempedaal niet in wanneer
de sleutel uit het contactslot wordt
verwijderd.
Keuzehandelstanden
WAARSCHUWING
Druk het rempedaal in voordat u de
keuzehendel verplaatst en houd het
pedaal ingedrukt totdat u gereed
bent om weg te rijden.
E80836
S
ParkerenP
AchteruitR
NeutraalN
RijdenD
Handmatig schakelen en
sportmodus
S
20
Kort overzicht
Zie Automatische transmissie
(bladzijde 171).
Elektrische parkeerrem (EPB)
EPB handmatig uitschakelen
N.B.:
Om de EPB uit te schakelen moet
de contactsleutel in de stand II staan.
E70529
Houd het rempedaal ingedrukt en druk
de schakelaar in.
Automatisch loszetten - loszetten
bij het wegrijden (DAR)
N.B.:
Bij auto's met een automatische
transmissie moet het bestuurdersportier
worden gesloten en de veiligheidsgordel
van de bestuurder worden vastgemaakt
voordat het DAR werkt.
Schakel de eerste versnelling of de
achteruit in, rijd normaal weg en de EPB
wordt automatisch losgezet.
Zie Elektronische parkeerrem
(EPB) (bladzijde 175).
Achteruitkijkcamera
WAARSCHUWING
De camera is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn.
De camera is een visueel hulpmiddel bij
achteruitrijden.
S-MAX
E99105
Galaxy
E124349
Zie Achteruitkijkcamera (bladzijde
187).
21
Kort overzicht
Snelheidsbegrenzer
M.b.v. dit systeem kunt u een snelheid
instellen waarop de auto vervolgens
wordt begrensd.
Zie Snelheidsbegrenzer (bladzijde
199).
Driver alert
WAARSCHUWING
Het systeem is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn.
Het systeem berekent een
alertheidsscore die kan worden
weergegeven in het informatiedisplay.
Indien het systeem ontdekt dat u slaperig
wordt of dat uw rijstijl verslechtert, geeft
het systeem waarschuwingen.
Zie Bestuurderswaarschuwing
(bladzijde 201).
Waarschuwing voor verlaten
rijstrook (lane departure)
WAARSCHUWING
Het systeem is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn.
Activeer het systeem m.b.v. de
schakelaars op de
richtingaanwijzerhendel.
E131360
A
B
Lane departure waarschuwing
ingeschakeld
A
Lane-departure waarschuwing
uitgeschakeld
B
Zie Waarschuwing rijden buiten
baan (bladzijde 203).
De auto op vier wielen slepen
LET OP
Voor bepaalde motor- en
transmissiecombinaties wordt
aangeraden de auto niet te slepen
met de aandrijfwielen op de grond.
Zie Auto op vier wielen slepen
(bladzijde 244).
22
Kort overzicht
KINDERZITJES
E68916
WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen met een lengte van
minder dan 150 centimeter of jonger
dan 12 jaar plaatsnemen in een
geschikt, goedgekeurd kinderzitje, dat op
de achterbank is geplaatst.
Oorspronkelijke tekst volgens ECE
R94.01: Extreme Hazard! Do not use
a rearward facing child restraint on
a seat protected by an air bag in front of
it!
Lees de instructies van de fabrikant
en volg deze op wanneer u een
kinderzitje aanbrengt.
Verander op geen enkele wijze het
kinderzitje.
Neem tijdens het rijden geen
kinderen op schoot.
Laat kinderen niet zonder toezicht
in uw auto achter.
Wanneer uw auto bij een aanrijding
betrokken is geweest, laat dan het
kinderzitje door een hiertoe
opgeleide monteur controleren.
N.B.:
De wettelijke voorschriften t.a.v. het
gebruik van kinderzitjes zijn per land
verschillend.
Alleen kinderzitjes die volgens
ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn,
zijn getest en goedgekeurd voor gebruik
in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via
uw dealer.
Kinderzitjes voor verschillende
gewichtsgroepen
Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
Babyzitje
E68918
Plaats kinderen met een lichaamsgewicht
van minder dan 13 kilogram in een
achterwaarts gericht babyzitje (groep 0+),
dat op de achterstoel is geplaatst.
23
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderveiligheidszitje
E68920
Vervoer kinderen met een
lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in
een kinderveiligheidszitje (groep 1), dat op
de achterbank is geplaatst.
ZITVERHOGERS
WAARSCHUWINGEN
Bevestig een kinderzitje of een
zitverhoger nooit alleen met de
heupgordel.
Bevestig een kinderzitje of een
zitverhoger niet met een
veiligheidsgordel die niet gespannen
is of gedraaid zit.
Leg de schoudergordel niet onder
de arm of achter de rug van het kind
langs.
Gebruik geen kussens, boeken of
handdoeken om het kind hoger te
laten zitten.
Zorg ervoor dat uw kinderen
rechtop zitten.
WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen met een
lichaamsgewicht van meer dan 15
kilogram maar met een lengte van
minder dan 150 centimeter in een
kinderzitje of op een zitverhoger
plaatsnemen.
LET OP
Wanneer u een kinderzitje op een
achterbank gebruikt, zorg dan dat
het kinderzitje stevig tegen de stoel
rust. De hoofdsteun moet wellicht worden
opgetild of verwijderd. Zie
Hoofdsteunen (bladzijde 140).
Kinderzitje (groep 2)
E70710
Wij raden het gebruik van een kinderzitje
aan, dat uit een zitverhoger met een
rugleuning bestaat in plaats van alleen een
zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt
ervoor dat de standaard veiligheidsgordel
correct over het midden van de schouder
van het kind en de heupgordel over de
heupen komt te liggen.
24
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Zitverhoger (groep 3)
E68924
PLAATSING VAN
KINDERZITJES
WAARSCHUWINGEN
Neem contact op met uw dealer
voor de laatste informatie
betreffende door Ford aanbevolen
kinderzitjes.
Wanneer u een kinderzitje op de
tweede zitrij met een steun gebruikt,
let er dan op dat de steun stevig op
het paneel van de opbergruimte onder
de vloer steunt. Zorg ervoor dat u het
schuimrubber vulstuk correct binnen het
opbergvak aanbrengt en dat u de steun
correct monteert.
WAARSCHUWINGEN
Wanneer een voorwaarts gericht
kinderzitje op een stoel op de
tweede of derde zitrij wordt
geplaatst, verwijder dan de hoofdsteun
van die stoel. Zie Hoofdsteunen
(bladzijde 140).
Wanneer een kinderzitje met een
gordel wordt gebruikt, dan mag de
gordel niet slap hangt of is gedraaid.
N.B.:
Schuif de voorste passagiersstoel
hierbij altijd volledig naar achteren. Als het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moeilijk vast te zetten is zonder dat er
speling overblijft, zet de rugleuning dan
recht omhoog en zet de stoel in een
hogere stand. Zie Handmatig
verstelbare stoelen (bladzijde 137). Zie
Elektrisch verstelbare stoelen
(bladzijde 138).
N.B.:
Wanneer een kinderzitje op een
stoel op de tweede zitrij wordt geplaatst,
breng dan de stoel in de meest praktische
stand voor de bestuurder. Zie
Achterbank (bladzijde 140).
25
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Plaatsen voor kinderzitjes
Gewichtsgroepen
Zitplaatsen
3210+0
22 - 36 kg15 - 25 kg9 - 18 kgTot 13 kgTot 10 kg
Zitverhoger of kussen
Kindervei-
ligheids-
zitje
Babyzitje
UF¹UF¹UF¹XX
Voorstoel aan passa-
gierszijde, met airbag
AAN
Voorstoel aan passa-
gierszijde, met airbag
UIT
UUUUU
Stoelen op de tweede
zitrij
UUUUUDerde zitrij Galaxy
UFUFUFL, UFL, UFDerde zitrij S-MAX
XNiet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep.
UGeschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat
op de achterbank is geplaatst.
LAlleen geschikt voor de volgende achterwaarts geplaatste kinderzitjes: Roemer
Baby-Safe (E1-04301146), Roemer Baby-Safe Plus (E1-04301146), Britax Cosy Tot
(E1-04301146), Britax Cosy Tot Premium (E1-04301146), Maxi-Cosi Cabrio
(E4-44R-043517).
UF Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd
voor gebruik in deze gewichtsgroep.
UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd
voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid
goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst.
26
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
ISOFIX-kinderzitjes
Gewichtsgroepen
Zitplaatsen
10+
Naar voren gericht
Naar achteren
gericht
9 - 18 kgTot 13 kg
Niet uitgerust met ISOFIX
MaatklasseVoorstoel
Stoeltype
A, B, B1, C, D*
C, D, E*
Maatklasse
Stoelen op de tweede zitrij
IL, IUF***
IL**
Stoeltype
Niet uitgerust met ISOFIX
MaatklasseZitplaatsen, derde zitrij
Stoeltype
IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel.
Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel
goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse.
*De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is
gedefinieerd door de hoofdletters At/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX
kinderzitjes.
**Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende
door Ford aanbevolen kinderzitjes.
***Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford
aanbevolen kinderzitjes.
27
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
ISOFIX
VERANKERINGSPUNTEN
WAARSCHUWING
Gebruik bij toepassing van het
ISOFIX systeem een voorziening dat
voorkomt dat de veiligheidsgordel
kan draaien. Wij raden het gebruik van
een veiligheidsgordel aan de bovenzijde
of een steun aan.
N.B.:
Wanneer u een ISOFIX kinderzitje
aanschaft, let er dan op dat dit geschikt
is voor de gewichtsgroep van uw kind en
dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor
de plaats waar het zitje wordt
aangebracht. Zie Plaatsing van
kinderzitjes (bladzijde 25).
Uw auto is uitgerust met ISOFIX
verankeringspunten die geschikt zijn voor
het gebruik van goedgekeurde ISOFIX
kinderzitjes.
Het ISOFIX systeem bestaat uit twee
stevige bevestigingsarmen aan het
kinderzitje, die op de verankeringspunten
op de buitenste zitplaatsen van de
tweede zitrij tussen de rugleuning en de
zitting worden bevestigd.
Verankeringspunten voor de
veiligheidsgordels aan de bovenzijde
zitten achter de zitplaatsen links- en
rechtsachter.
Verankeringspunten bovenste
gordel
E75532
Een kinderzitje met een
veiligheidsgordel aan de
bovenzijde bevestigen
WAARSCHUWING
Bevestig de veiligheidsgordel aan
de bovenzijde aan geen ander punt
dan aan het verankeringspunt dat
hiervoor is bestemd.
N.B.:
Verwijder zo nodig het
bagageafdekpaneel om de montage te
vergemakkelijken. Zie
Bagageafdekkingen (bladzijde 214).
1. Verwijder de hoofdsteun. Zie
Hoofdsteunen (bladzijde 140).
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de gordel aan de
bovenzijde niet doorhangt of
gedraaid is en goed op het
verankeringspunt is bevestigd.
2. Geleid de gordel naar het
verankeringspunt.
28
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
E75531
3. Druk het kinderzitje stevig naar
achteren zodat de onderste ISOFIX
verankeringspunten goed aangrijpen.
4. Bevestig de veiligheidsgordel volgens
de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje.
KINDERSLOTEN
WAARSCHUWING
Wanneer de kindersloten in werking
zijn gesteld, kunnen de portieren
niet van binnenuit worden geopend.
Handmatig bediende
kindersloten
N.B.:
Gebruik bij auto's met sleutelloze
toegang de reservesleutel. Zie
Sleutelloze toegang (bladzijde 47).
E78298
Linkerzijde
Draai linksom om te vergrendelen en
rechtsom om te ontgrendelen.
Rechterzijde
Draai rechtsom om te vergrendelen en
linksom om te ontgrendelen.
Elektrisch bediende
kindersloten
N.B.:
Door op de schakelaar te drukken
worden tevens de schakelaars voor de
elektrisch bediende achterruit
gedeactiveerd.
29
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
30
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
WERKING
Airbags
WAARSCHUWINGEN
Wijzig de voorzijde van de wagen
op geen enkele wijze. Dit zou
nadelige gevolgen voor het
ontvouwen van de airbags kunnen
hebben.
Oorspronkelijke tekst volgens ECE
R94.01: Extreme Hazard! Do not use
a rearward facing child restraint on
a seat protected by an airbag in front of
it!
Draag een veiligheidsgordel en houd
voldoende afstand tussen uzelf en
het stuurwiel. Alleen wanneer de
veiligheidsgordel correct wordt gedragen,
kan deze u in een zodanige positie
houden dat de airbag optimaal zijn werk
kan doen. Zie De juiste zitpositie
innemen (bladzijde 137).
Laat reparaties aan het stuurwiel,
de stuurkolom, stoelen, airbags en
veiligheidsgordel uitvoeren door een
goed opgeleide monteur.
Houd de gebieden voor de airbags
vrij. Breng niets aan op of over de
panelen van de airbags.
Steek geen scherpe voorwerpen in
gebieden waar airbags zijn
gemonteerd. Dit zou nadelige
gevolgen voor het ontvouwen van de
airbags kunnen hebben en de airbags
kunnen beschadigen.
Gebruik stoelhoezen die zijn
ontworpen voor stoelen met
zij-airbags. Laat deze aanbrengen
door een goed opgeleide monteur.
N.B.:
Het opblazen van een airbag gaat
gepaard met een luide knal en u ziet een
onschadelijke, poederachtige stofwolk.
Dit is normaal.
N.B.:
Reinig de panelen van de airbags
met een vochtige doek.
Airbags voor de bestuurder en
passagier, voorin
E74302
De frontairbags treden in werking bij
zware frontale aanrijdingen of bij
aanrijdingen binnen een hoek van
maximaal 30 graden van links of van
rechts. De airbags worden in enkele
milliseconden opgeblazen en stromen
weer leeg zodra zij in contact komen met
de lichamen van de inzittenden, waardoor
de voorwaartse beweging wordt
opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het
over de kop slaan van de auto of bij
aanrijdingen van opzij of van achteren
worden de frontairbags niet geactiveerd.
Knieairbag voor de bestuurder
LET OP
Probeer het paneel van de knieairbag
voor de bestuurder niet te openen.
31
Bescherming van inzittenden
De knieairbag voor de bestuurder treedt
in werking bij zware frontale aanrijdingen
of bij aanrijdingen binnen een hoek van
maximaal 30 graden van links of van
rechts. De airbag wordt in enkele
milliseconden opgeblazen en stroomt
weer leeg zodra hij in contact komt met
het lichaam van de inzittende, waardoor
hij een kussen vormt tussen de knieën
van de bestuurder en de stuurkolom.
Tijdens het over de kop slaan van de auto,
aanrijdingen van achteren en opzij wordt
de knieairbag niet geactiveerd.
Positie van onderdeel: Zie Kort
overzicht (bladzijde 11).
N.B.:
De knieairbag heeft een lagere
activeringsdrempel dan de frontairbags.
Tijdens een lichte aanrijding is het mogelijk
dat alleen de knieairbag wordt
geactiveerd.
Zijairbags
E72658
De zijairbags bevinden zich in de zijkant
van de rugleuningen van de voorstoelen.
Een label op de rugleuning geeft aan dat
uw auto is uitgerust met zijairbags.
De zijairbags worden geactiveerd bij
zware zijdelingse aanrijdingen. De airbags
worden in enkele milliseconden
opgeblazen en stromen weer leeg zodra
zij in contact komen met de lichamen van
de inzittenden, waardoor zij bescherming
bieden aan de omgeving van borst en
schouder. Bij lichte aanrijdingen van opzij,
het over de kop slaan van de auto,
aanrijdingen van voren of van achteren
worden de zijairbags niet geactiveerd.
Side curtains
E75004
Achter de bekledingspanelen boven de
voorste en achterste zijruiten zijn side
curtains aangebracht. Opschriften in reliëf
op de B-stijlen geven aan dat de wagen
is uitgerust met side curtains.
De side curtains worden geactiveerd bij
zware zijdelingse aanrijdingen. De airbag
wordt in enkele milliseconden opgeblazen
en stroomt weer leeg zodra hij in contact
komt met het lichaam van de inzittende,
waardoor hij bescherming biedt aan het
hoofd. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen,
frontale aanrijdingen, aanrijdingen van
achteren of het over de kop slaan van de
auto worden de side curtains niet
geactiveerd.
32
Bescherming van inzittenden
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN
Draag een veiligheidsgordel en houd
voldoende afstand tussen uzelf en
het stuurwiel. Alleen wanneer u de
veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt,
kan deze u op uw plaats houden,
waardoor de airbag zijn maximale
bescherming kan bieden. Zie De juiste
zitpositie innemen (bladzijde 137).
Gebruik een veiligheidsgordel nooit
voor meer dan een persoon.
Gebruik voor iedere stoel het juiste
gordelslot.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
niet slap of gedraaid zit.
Draag geen dikke kleding. De
veiligheidsgordels bieden optimale
bescherming wanneer ze
nauwsluitend worden gedragen.
Leg de schoudergordel over het
midden van de schouder en leg de
heupgordel strak over uw heupen.
De oprolmechanismen van de
veiligheidsgordels voor de bestuurder en
de passagier voorin zijn voorzien van een
gordelspanner. De gordelspanners
hebben een lagere activeringsdrempel
dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is
het mogelijk dat alleen de gordelspanners
worden geactiveerd.
Status na aanrijding
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordels die zijn belast ten
gevolge van een aanrijding moeten
worden vervangen en de
verankeringen worden gecontroleerd.
Deze werkzaamheden moeten door een
correct hiertoe opgeleide monteur
worden uitgevoerd.
VEILIGHEIDSGORDELS
VASTMAKEN
WAARSCHUWING
Steek de slottong in het gordelslot
tot een zachte klik hoorbaar is.
Wanneer de veiligheidsgordel niet
correct is bevestigd, hoort u geen klik.
N.B.:
De slottongen zijn zodanig
ontworpen dat u ze alleen in het juiste
gordelslot kunt steken.
E74124
33
Bescherming van inzittenden
E74127
Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit.
De veiligheidsgordel kan blokkeren
wanneer deze te snel wordt uitgetrokken
of wanneer de wagen op een helling
staat.
Druk op de rode knop om de
veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat
hem volledig en geheel oprollen.
Veiligheidsgordel op tweede
zitrij
E74125
2
1
3
Het oprolmechanisme van de
veiligheidsgordel van de middelste
achterstoel bevindt zich in het dak.
Veiligheidsgordel vastmaken:
1. Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig
uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren
wanneer deze te snel wordt
uitgetrokken of wanneer de wagen
op een helling staat.
2. Steek de kleinere slottong in het
zwarte gordelslot aan de rechterzijde
van de middelste stoel.
3. Trek vervolgens de grotere slottong
over de heup en steek hem in het
gordelslot links van de middelste stoel.
N.B.:
Wanneer de veiligheidsgordel
continu wordt gebruikt, kunt u de slottong
in het zwarte gordelslot laten zitten.
Wanneer hij niet wordt gebruikt of
wanneer u de achterstoelen neerklapt of
verschuift, moet u de veiligheidsgordel
van het zwarte gordelslot losmaken.
34
Bescherming van inzittenden
E74128
Druk de rode toets op het linker gordelslot
in om de veiligheidsgordel los te maken.
Laat de gordel oprollen.
Druk op de knop aan de zijkant van het
zwarte gordelslot om de gordel los te
maken. Laat de gordel helemaal en
geleidelijk terugglijden in de
oprolautomaat in het dak.
HOOGTE VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
AFSTELLEN
E73135
Trek om de hoogte in te stellen de
D-vormige ring uit en schuif het
bevestigingspunt omhoog.
Trek de D-vormige ring uit om het
bevestigingspunt te laten zakken, houd
de ontgrendelknop ingedrukt en schuif
het bevestigingspunt naar beneden.
N.B.:
Door het stelmechanisme iets in te
drukken terwijl u de knop indrukt komt het
verstelmechanisme makkelijker los.
WAARSCHUWINGSSIGNAAL
VEILIGHEIDSGORDEL
WAARSCHUWING
Het veiligheidssysteem voor
inzittenden biedt alleen optimale
veiligheid wanneer u de
veiligheidsgordel correct gebruikt.
De lamp van het
herinneringssysteem gaat
branden en er klinkt een
akoestisch signaal wanneer de
veiligheidsgordel van de voorstoel aan
bestuurders- of passagierszijde niet is
omgedaan en de auto sneller rijdt dan een
relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens
branden wanneer de veiligheidsgordel
van de voorstoel aan bestuurders- of
passagierszijde niet is omgedaan als met
de auto wordt gereden. Het akoestische
signaal en de waarschuwingslamp
worden na zeven minuten uitgeschakeld.
Herinneringssysteem
uitschakelen
Neem contact op met uw Ford dealer.
35
Bescherming van inzittenden
GEBRUIK VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
TIJDENS ZWANGERSCHAP
E68587
WAARSCHUWING
Breng de veiligheidsgordel voor uw
eigen veiligheid, maar ook voor dat
van uw ongeboren kind op correcte
wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel
of de schoudergordel.
De heupgordel moet comfortabel over
de heupen liggen aan de onderzijde van
uw zwangere buik. Leg de
schoudergordel tussen uw borsten,
boven en aan de zijkant van uw zwangere
buik.
PASSAGIERSAIRBAG
UITSCHAKELEN
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de airbag aan
passagierszijde is uitgeschakeld
wanneer u een kinderzitje
achterwaarts op de passagiersstoel
voorin plaatst.
E71313
Schakelaar voor airbag aan
passagierszijde monteren
WAARSCHUWING
Wanneer u een kinderzitje op een
stoel moet plaatsen, waarvoor zich
een operationele airbag bevindt, laat
dan een schakelaar monteren waarmee
de airbag aan passagierszijde kan worden
uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor
meer informatie.
N.B.:
De sleutelschakelaar wordt in het
handschoenenkastje gemonteerd en op
het instrumentenpaneel wordt een
controlelamp aangebracht.
Wanneer de controlelamp van de airbag
tijdens het rijden gaat branden of
knipperen, duidt dit op een storing. Zie
Waarschuwings- en
indicatielampen (bladzijde 94).
Verwijder het kinderzitje en laat het
systeem onmiddellijk controleren.
36
Bescherming van inzittenden
Airbag aan passagierszijde
uitschakelen
A B
E71312
UitgeschakeldA
IngeschakeldB
Zet de schakelaar in stand A.
Controleer bij het aanzetten van het
contact, of de controlelamp airbag aan
passagierszijde uitgeschakeld gaat
branden.
Airbag aan passagierszijde
inschakelen
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de airbag aan de
passagierszijde is ingeschakeld
wanneer zich geen kinderzitje op
de passagiersstoel voorin bevindt.
Zet de schakelaar in stand B.
37
Bescherming van inzittenden
ALGEMENE INFORMATIE
OVER RADIOFREQUENTIES
LET OP
De radiofrequentie van de
afstandsbediening kan ook worden
gebruikt door andere zenders met
een klein bereik (bijvoorbeeld
zendamateurs, medische apparatuur,
draadloze hoofdtelefoons,
afstandsbedieningen en alarmsystemen).
Wanneer de frequenties worden
gestoord, kunt u geen gebruik meer
maken van uw afstandsbediening. De
portieren kunt u met de sleutel
vergrendelen en ontgrendelen.
N.B.:
U kunt de portieren ontgrendelen
wanneer u de toetsen op de
afstandsbediening per ongeluk indrukt.
Het bereik tussen uw afstandsbediening
en uw auto is afhankelijk van de
omgeving.
PROGRAMMEREN VAN DE
AFSTANDSBEDIENING
U kunt maximaal acht
afstandsbedieningen voor uw auto
programmeren (inclusief die met uw auto
werd meegeleverd).
Een nieuwe afstandsbediening
programmeren
1. Steek de sleutel in het contactslot.
2. Draai de sleutel van stand 0naar II en
vervolgens terug naar 0. Doe dit vier
keer binnen zes seconden.
3. Houd de sleutel in stand 0en druk
binnen 10 seconden op een
willekeurige toets van de
afstandsbediening. Via een signaal of
LED ontvangt u bevestiging dat het
programmeren is voltooid.
N.B.:
Tijdens deze fase kunnen meerdere
afstandsbedieningen worden
geprogrammeerd.
4. Druk binnen 10 seconden op een
willekeurige toets van iedere extra
afstandsbediening.
Ontgrendelfunctie opnieuw
programmeren
N.B.:
Wanneer u de ontgrendeltoets op
de afstandsbediening indrukt, worden alle
portieren ontgrendeld of wordt alleen het
bestuurdersportier ontgrendeld. Door
opnieuw op de ontgrendeltoets te
drukken worden alle portieren
ontgrendeld.
Houd de vergrendel- en vergrendeltoets
op de afstandsbediening minimaal vier
seconden tegelijkertijd ingedrukt bij
uitgeschakeld contact. De
richtingaanwijzers knipperen tweemaal
om de wijziging te bevestigen.
Herhaal de procedure om de
oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te
schakelen.
BATTERIJ VAN
AFSTANDSBEDIENING
VERVANGEN
E107998
Zorg dat u oude batterijen op
milieuvriendelijke wijze
weggooit. Zoek advies m.b.t. de
plaatselijke regels m.b.t. recycling.
38
Sleutels en afstandsbediening
Afstandsbediening met
inklapbaar sleutelblad
1
E74383
1. Steek een schroevendraaier zover
mogelijk in de sleuf aan de zijkant van
de afstandsbediening. Druk de
schroevendraaier in de richting van
het sleutelblad en verwijder dit.
E74384
2
2. Draai de schroevendraaier in de
afgebeelde richting om een begin te
maken de twee huishelften van de
afstandsbediening van elkaar te
scheiden.
E74385
3
3. Draai de schroevendraaier in de
afgebeelde richting om de twee
huishelften van de afstandsbediening
van elkaar te scheiden.
4
E126280
LET OP
Raak de batterijcontacten of de
printplaat niet met de
schroevendraaier aan.
4. Maak de batterij voorzichtig met de
schroevendraaier los.
5. Breng een nieuwe batterij (3V CR
2032) aan met de +naar beneden
gekeerd.
6. Zet de twee huishelften van de
afstandsbediening op elkaar vast.
7. Breng het sleutelblad aan.
39
Sleutels en afstandsbediening
Afstandsbediening zonder
inklapbaar sleutelblad
Type 1
1
E126152
1. Steek een schroevendraaier in de
uitsparing aan de achterzijde van de
sleutel en verwijder het sleutelblad.
E126153
2
2. Maak de klemmen met de
schroevendraaier los en scheid de
twee huishelften van de
afstandsbediening.
E126281
3
LET OP
Raak de batterijcontacten of de
printplaat niet met de
schroevendraaier aan.
3. Maak de batterij voorzichtig met de
schroevendraaier los.
4. Breng een nieuwe batterij (3V CR
2032) aan met de +naar boven
gekeerd.
5. Zet de twee huishelften van de
afstandsbediening op elkaar vast.
6. Breng het sleutelblad aan.
Type 2
1
2
E78284
1. Schuif het ontgrendelplaatje in de
richting van de pijl.
40
Sleutels en afstandsbediening
2. Verwijder de sleutelbaard.
E105064
3
3. Draai de platte schroevendraaier in de
afgebeelde richting om de twee
huishelften van de afstandsbediening
van elkaar te scheiden.
LET OP
Raak de batterijcontacten of de
printplaat niet met de
schroevendraaier aan.
4. Maak de batterij voorzichtig met de
schroevendraaier los.
5. Breng een nieuwe batterij (3V CR
2032) aan met de +naar beneden
gekeerd.
6. Zet de twee huishelften van de
afstandsbediening op elkaar vast.
7. Breng het sleutelblad aan.
Type 3
1
2
1
E87964
1. Houd de drukknoppen in de randen
ingedrukt om de afdekking te
ontgrendelen. Verwijder voorzichtig
de kapje.
2. Verwijder de sleutelbaard.
E105362
3
3. Draai de platte schroevendraaier in de
afgebeelde richting om de twee
huishelften van de afstandsbediening
van elkaar te scheiden.
41
Sleutels en afstandsbediening
E119190
4
4. Steek de schroevendraaier voorzichtig
in de afgebeelde positie om de
afstandsbediening te openen.
E125860
5
LET OP
Raak de batterijcontacten of de
printplaat niet met de
schroevendraaier aan.
5. Maak de batterij voorzichtig met de
schroevendraaier los.
6. Breng een nieuwe batterij (3V CR
2032) aan met de +naar beneden
gekeerd.
7. Zet de twee huishelften van de
afstandsbediening op elkaar vast.
8. Breng het sleutelblad aan.
42
Sleutels en afstandsbediening
VERGRENDELEN EN
ONTGRENDELEN
Centrale vergrendeling
U kunt de portieren alleen centraal
vergrendelen wanneer alle portieren zijn
gesloten.
N.B.:
Het bestuurdersportier kan met de
sleutel worden ontgrendeld. Hiervan moet
gebruik worden gemaakt wanneer de
afstandsbediening niet werkt.
N.B.:
De centrale vergrendeling
vergrendelt en ontgrendelt ook het klepje
van de brandstofvulopening.
Dubbele vergrendeling
WAARSCHUWING
Schakel de dubbele vergrendeling
niet in wanneer zich personen of
dieren in de auto bevinden. De
portieren kunnen niet van binnenuit
worden ontgrendeld indien de dubbele
vergrendeling is ingeschakeld.
E71961
Dubbele vergrendeling is een voorziening
tegen diefstal die voorkomt dat personen
de portieren van binnenuit kunnen
ontgrendelen. U kunt de portieren alleen
dubbel vergrendelen indien ze allemaal
zijn gesloten.
Bevestiging van vergrendelen
en ontgrendelen
Wanneer u de portieren ontgrendelt,
knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.
Wanneer u de portieren vergrendelt,
knipperen de richtingaanwijzers
tweemaal.
Portieren met de sleutel
vergrendelen en ontgrendelen
B
E71962
A
B
A
OntgrendelenA
VergrendelenB
43
Sloten
Portieren met de sleutel dubbel
vergrendelen
Draai de sleutel tweemaal binnen drie
seconden in de stand vergrendelen om
de portieren dubbel te vergrendelen.
Portieren en achterklep
vergrendelen en ontgrendelen
met de afstandsbediening
E87379
A B C
OntgrendelenA
VergrendelenB
Achterklep ontgrendelen
(tweemaal drukken)
C
Portieren en achterklep
vergrendelen met de
afstandsbediening
Druk toets Beenmaal in.
Portieren en achterklep dubbel
vergrendelen met de
afstandsbediening
Druk toets Btweemaal binnen drie
seconden in.
De portieren van binnenuit
vergrendelen en ontgrendelen
Bestuurdersportier
A
B
E71958
Alle portieren vergrendelenA
Alle portieren ontgrendelenB
Passagiersportieren voor en
achter
E98653
44
Sloten
Druk om de passagiersportieren voor en
achter afzonderlijk te vergrendelen op
toets en sluit het portier bij het verlaten
van de auto.
Achterklep
Achterklep openen
E125429
Achterklep openen met de
afstandsbediening
Druk toets Cop de afstandsbediening
tweemaal binnen drie seconden in.
Achterklep sluiten
E71960
Aan de binnenzijde van de achterklep
bevindt zich een greep die het sluiten
vereenvoudigt.
Automatisch opnieuw
vergrendelen
Wanneer u niet binnen 45 seconden na
het ontgrendelen met de
afstandsbediening een portier opent
worden de portieren automatisch
opnieuw vergrendeld. De portieren
worden vergrendeld en het alarm keert
terug in de vorige stand.
Ontgrendelfunctie opnieuw
programmeren
De ontgrendelfunctie kan zodanig worden
geprogrammeerd dat alleen het
bestuurdersportier wordt ontgrendeld.
Zie Programmeren van de
afstandsbediening (bladzijde 38).
CENTRALE
VERGRENDELING
U kunt ook bij afgezet contact de
elektrisch bedienbare ruiten bedienen met
behulp van de functie integraal openen
en sluiten.
N.B.:
Het integraal sluiten werkt alleen
als het geheugen voor elke ruit
afzonderlijk correct is ingesteld. Zie
Elektrisch bedienbare ruiten
(bladzijde 83).
45
Sloten
Integraal openen
E71955
Druk, om alle ruiten te openen, op de
ontgrendel toets en houd deze
minstens drie seconden ingedrukt. Druk
nogmaals op de vergrendel of de
ontgrendel toets om het openen te
onderbreken.
Integraal sluiten
Uitvoeringen zonder keyless entry
systeem
WAARSCHUWING
Sla het sluiten van de ruiten altijd
gade. Druk in noodgevallen
onmiddellijk op een toets om de
beweging te stoppen.
E71956
Druk om alle ruiten te sluiten op de
vergrendel toets en houd deze
minstens drie seconden ingedrukt. Druk
nogmaals op een toets om het sluiten te
onderbreken. Tijdens het integraal sluiten
is de antiklemfunctie geactiveerd.
Uitvoeringen met keyless entry
systeem
E87384
WAARSCHUWING
Sla het sluiten van de ruiten altijd
gade. Druk in een noodsituatie op
de knop op het bestuurdersportier
om de beweging te stoppen.
46
Sloten
N.B.:
Het integraal sluiten kan worden
geactiveerd met behulp van de toets op
de kruk op het bestuurdersportier.
Integraal openen en sluiten kan ook
worden geactiveerd met de toetsen op
de passive key.
Druk om alle ruiten te sluiten op de
vergrendeltoets en houd deze minstens
twee seconden ingedrukt. Tijdens het
integraal sluiten is de antiklemfunctie
geactiveerd.
SLEUTELLOZE TOEGANG
Algemene informatie
WAARSCHUWING
Het keyless entry systeem werkt
misschien niet wanneer de sleutel
zich dicht bij metalen voorwerpen
of elektronische apparaten, zoals mobiele
telefoons, bevindt.
N.B.:
Als er binnen een kort tijdsbestek
herhaaldelijk aan de portierkrukken wordt
getrokken zonder dat er een geldige
passive key aanwezig is, wordt het
systeem gedurende 30 seconden
geblokkeerd.
Het passive entry systeem werkt niet
indien:
De frequenties van de passive key
worden gestoord.
De batterij van de passive key leeg is.
N.B.:
Wanneer het passive entry systeem
niet werkt, moet u voor het vergrendelen
en ontgrendelen van uw auto de
sleutelbaard gebruiken.
Het keyless entry systeem maakt het
gebruik van een sleutel of
afstandsbediening overbodig.
E78276
Voor het passief vergrendelen en
ontgrendelen is een geldige passive key
nodig die zich in de omgeving van een
van de drie externe detectiezones
bevindt. Deze zones bevinden zich op
ongeveer anderhalve meter afstand van
de portierkrukken aan bestuurders- en
passagierszijde en de achterklep.
Passive key
De auto kan met de passive key worden
ontgrendeld en vergrendeld. De passieve
key kan tevens als afstandsbediening
worden gebruikt. Zie Vergrendelen en
ontgrendelen (bladzijde 43).
Auto vergrendelen
E87384
47
Sloten
E87435
WAARSCHUWING
De auto wordt niet automatisch
vergrendeld. Indien er geen
vergrendelknop wordt ingedrukt
blijft de auto ontgrendeld.
N.B.:
Wanneer de auto vanaf de
achterklep wordt vergrendeld, moet de
passive key zich binnen de detectiezone
bij de achterklep bevinden.
De vergrendeltoetsen bevinden zich op
de beide voorportieren en de achterklep.
Activeren van centraal
vergrendelingssysteem en alarminstallatie:
Druk een vergrendeltoets eenmaal in.
Dubbele vergrendeling, alarminstallatie en
interieursensoren activeren:
Druk een vergrendeltoets tweemaal
binnen drie seconden in.
N.B.:
Eenmaal geactiveerd, blijft de auto
gedurende drie seconden vergrendeld.
Hierdoor is het mogelijk een portierkruk
uit te trekken om te controleren of de auto
is vergrendeld. Na de vertragingsperiode
kunnen de portieren weer worden
ontgrendeld, op voorwaarde dat de
passive key zich binnen het
detectiegebied bevindt.
kofferdeksel/ achterklep
N.B.:
Als de passive key zich in de
bagageruimte bevindt, kan de
kofferdeksel/ achterklep niet worden
gesloten en komt deze weer omhoog.
N.B.:
Indien zich een tweede geldige
passive key binnen het detectiegebied
van de kofferdeksel/ achterklep bevindt,
kan de bagageruimte niet worden
afgesloten.
Auto ontgrendelen
N.B.:
Indien de auto langer dan vijf dagen
niet wordt ontgrendeld, schakelt het
systeem over op een energiebesparende
modus. Hierdoor wordt voorkomen dat
de accu leegraakt. Wanneer de auto in
deze modus wordt ontgrendeld kan de
reactietijd enigszins langer zijn dan
normaal. Nadat de auto na eenmaal is
ontgrendeld, wordt de
energiebesparende modus
uitgeschakeld.
E78278
Trek een van de portierkrukken of de
hendel van de kofferdeksel/ achterklep
uit.
N.B.:
De passive key moet zich binnen
het detectiegebied van dat portier
bevinden.
48
Sloten
Een lang lichtsignaal van de
richtingaanwijzers geeft aan dat alle
portieren, de bagageruimte en de
tankvulklep zijn ontgrendeld en dat de
alarminstallatie is uitgeschakeld.
Alleen bestuurdersportier
ontgrendelen
Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is
geprogrammeerd zodat alleen het
bestuurdersportier wordt ontgrendeld (
Zie Sleutels en afstandsbediening
(bladzijde 38). ), let dan op het volgende:
Als het bestuurdersportier als eerste
wordt geopend blijven de andere
portieren en de bagageruimte
vergrendeld. Alle andere portieren kunnen
vanuit het interieur worden ontgrendeld
door de toets naast de portierkruk op het
bestuurdersportier in te drukken. De
portieren kunnen afzonderlijk worden
ontgrendeld door vanuit het interieur de
portierkruk van het betreffende portier uit
te trekken.
Als het portier aan passagierszijde of een
van de achterportieren als eerste wordt
geopend, worden alle portieren en het
bagagecompartiment ontgrendeld.
Uitgeschakelde sleutels
In de auto achtergebleven sleutels
worden uitgeschakeld bij het
vergrendelen van de auto.
Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer
worden gebruikt voor het aanzetten van
het contact of het starten van de motor.
Om deze passive keys opnieuw te
kunnen gebruiken moeten ze opnieuw
worden geactiveerd.
Ontgrendel de auto met behulp van een
passive key of de afstandsbediening om
al uw passive keys te activeren.
Bij het aanzetten van het contact of
wanneer de motor met een geldige
sleutel wordt gestart worden alle passive
keys worden geactiveerd.
Portieren met de sleutelbaard
vergrendelen en ontgrendelen
Type 1
1
2
E78284
1. Duw de ongrendelschuif in de richting
van de pijl en trek de sleutelbaard met
de duim naar buiten.
2. Verwijder de sleutelbaard en steek
hem in het slot.
49
Sloten
Type 2
1
2
1
E87964
1. Verwijder voorzichtig de kapje.
2. Verwijder de sleutelbaard en steek
hem in het slot.
50
Sloten
WERKING
Het immobilisatiesysteem is een
diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt
dat iemand de motor van uw auto met
een onjuist gecodeerde sleutel kan
starten.
GECODEERDE SLEUTELS
N.B.:
Dek uw sleutels niet met metalen
voorwerpen af. Hierdoor kan de
ontvanger uw sleutel niet herkennen als
geldige sleutel.
N.B.:
Wanneer u een sleutel bent
verloren, laat dan de code bij al uw
overige sleutels wissen. Raadpleeg uw
dealer voor meer informatie. Laat de
vervangingssleutels samen met uw
overige sleutels opnieuw coderen.
Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij
uw Ford dealer een vervangingssleutel
verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw
dealer het sleutelnummer door, dat op
het plaatje staat dat met de originele
sleutels is geleverd. U kunt ook extra
sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.
IMMOBILISATIESYSTEEM
INSCHAKELEN
Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet
wordt het immobilisatiesysteem
automatisch ingeschakeld.
IMMOBILISATIESYSTEEM
UITSCHAKELEN
Het immobilisatiesysteem wordt
automatisch uitgeschakeld bij het met een
correct gecodeerde sleutel aanzetten van
het contact.
Wanneer het bericht Immobiliser
active op het informatiedisplay verschijnt,
is uw sleutel niet herkend. Neem de
sleutel uit het slot en probeer het
nogmaals.
Wanneer u de motor met een correct
gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt
dit op een storing. Het bericht
Immobiliser active verschijnt bij het
aanzetten van het contact op het
informatiedisplay. Laat het
immobilisatiesysteem onmiddellijk
controleren.
51
Motorstartblokkering
WERKING
Alarmsysteem
Uw auto kan zijn uitgerust met één van
de volgende alarmsystemen:
Perimeteralarm.
Perimeteralarm met interieursensors.
Categorie 1 alarm met interieursensors
en sirene met afzonderlijke accu.
Categorie 1 alarm met
interieursensors, sirene met
afzonderlijke accu en kantelsensors.
Perimeter alarm
Het perimeter alarm is een afschrikmiddel
voor personen die ongeoorloofd de
portieren en de motorkap proberen te
openen. Het beveiligt ook het
audio-eenheid.
Interieursensors
Uitvoeringen met schuif-/kanteldak
E71401
Uitvoeringen zonder
schuif-/kanteldak
E131656
WAARSCHUWING
De sensors mogen niet afgedekt
zijn. Activeer het alarm niet indien
zich personen, dieren of andere
bewegende voorwerpen in de auto
bevinden.
Dit sensors zijn een afschrikmiddel voor
indringers doordat elke beweging in de
auto m.b.v. sensors wordt geregistreerd.
Sirene met afzonderlijke accu
De sirene met afzonderlijke accu is een
extra alarmsysteem dat de sirene
inschakelt wanneer het alarm wordt
geactiveerd. Deze wordt direct
ingeschakeld bij het afsluiten van de auto.
De sirene heeft zijn eigen accu en wordt
ingeschakeld zodra iemand de
accukabels of de accu van de sirene zelf
loskoppelt.
Kantelsensors
De kantelsensors detecteren of iemand
probeert een wiel te stelen of de auto
probeert weg te slepen door de
verandering van hellingshoek van de auto
te registreren.
N.B.:
Wanneer de auto met ingeschakeld
alarm op een veerboot wordt geplaatst,
moeten de hellingssensors worden
uitgeschakeld door een gereduceerde
beveiligingsklasse te selecteren. Hierdoor
wordt voorkomen dat het alarmsignaal
door de bewegingen in werking treedt.
Alarm activeren
Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan
het op een van de volgende manieren
worden geactiveerd:
52
Alarm
Wanneer iemand een portier, de
achterklep of de motorkap opent
zonder geldige sleutel of
afstandsbediening.
Wanneer iemand de audio-installatie
of het navigatiesysteem verwijdert.
Wanneer het contactslot zonder
geldige sleutel in stand I,II of III wordt
gezet.
Wanneer de interieursensors
bewegingen in de auto registreren.
Bij auto's met een sirene met
afzonderlijke accu, wanneer iemand
de accukabels of de accu van de
sirene zelf loskoppelt.
Wanneer de kantelsensors een
verandering in de hellingshoek van de
auto registreren.
Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt
de alarmclaxon gedurende 30 seconden
en knipperen de
waarschuwingsknipperlichten vijf minuten.
Iedere verdere poging om een van
bovenstaande handelingen uit te voeren
activeert het alarm opnieuw.
Volledige en gereduceerde
beveiliging
Volledige beveiliging
Volledige beveiliging is de standaard
instelling.
Bij volledige beveiliging worden de
interieursensors en de kantelsensors
geactiveerd bij het inschakelen van het
alarm.
N.B.:
Dit kan resulteren in vals alarm
wanneer zich dieren of bewegende
voorwerpen in de auto bevinden of, bij
auto's met kantelsensors, als de auto op
een veerboot wordt geplaatst.
Gereduceerde beveiliging
Bij gereduceerde beveiliging worden de
interieursensors en de kantelsensors
gedeactiveerd bij het inschakelen van het
alarm.
N.B.:
U kunt de gereduceerde beveiliging
slechts gedurende één contactcyclus
inschakelen. De volgende keer dat u het
contact inschakelt, zal het alarm worden
teruggezet naar volledige beveiliging.
Vragen bij het verlaten van de auto
U kunt het informatiedisplay zodanig
instellen, dat telkens wordt gevraagd welk
beveiligingsniveau u wilt instellen.
Wanneer u Vragen selecteert, verschijnt
telkens wanneer u het contact uitschakelt
het bericht Gereduceerd alarm? op
het display in de instrumentengroep.
Wanneer u de gereduceerde beveiliging
wilt instellen, drukt u op de OK toets
wanneer dit bericht verschijnt.
Wanneer u de volledige beveiliging wilt
instellen, verlaat dan de auto zonder op
de OK te drukken.
Volledige of gereduceerde
beveiliging selecteren
N.B.:
Door Gereduceerd te selecteren
wordt het alarmsysteem niet permanent
in de gereduceerde beveiligingsmodus
gezet. Het systeem wordt slechts één
contactcyclus in de gereduceerde modus
geschakeld. Wanneer u regelmatig het
alarmsysteem in de gereduceerde
beveiligingsmodus zet, selecteer dan
Vragen.
53
Alarm
E70499
E74509
Voll. alarm
Alarm
Gereduceerd
Vragen
1. Druk op de rechter pijltjestoets op het
stuurwiel om het hoofdmenu binnen
te gaan.
2. Selecteer Instellingen met de op-
en neer-pijltjestoetsen en druk op de
rechter pijltjestoets.
3. Selecteer Alarm en druk op de
rechter pijltjestoets.
4. Selecteer Gereduceerd of Voll.
alarm. Wanneer u wenst dat dit
telkens wordt gevraagd bij het
uitschakelen van het contact,
selecteer dan Vragen.
5. Druk op de OK toets om de keuze te
bevestigen.
6. Druk op de linker pijltjestoets om het
menu te verlaten. Houd de linker
pijltjestoets ingedrukt om direct terug
te keren naar het scherm van de
boordcomputer.
Informatieberichten
Zie Infoberichten (bladzijde 111).
ALARM INSCHAKELEN
Alarminstallatie inschakelen, wagen
vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 43).
ALARM UITSCHAKELEN
Uitvoeringen zonder keyless
entry systeem
Perimeter alarminstallatie
Schakel de alarminstallatie en het
alarmsignaal uit door de portieren met de
sleutel te ontgrendelen, zet het contact
met een correct gecodeerde sleutel aan
of ontgrendel de portieren of de
achterklep met de afstandsbediening.
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het
alarmsignaal uit door de portieren met de
sleutel te ontgrendelen, zet het contact
met een correct gecodeerde sleutel
binnen 12 seconden aan of ontgrendel de
portieren of de achterklep met de
afstandsbediening.
Uitvoeringen met keyless entry
systeem
N.B.:
Voor keyless entry moet zich
binnen het detectiegebied van dat portier
een geldige passive key bevinden. Zie
Sleutelloze toegang (bladzijde 47).
54
Alarm
Perimeter alarminstallatie
Schakel de alarminstallatie en het
alarmsignaal uit door de portieren te
ontgrendelen en zet het contact aan, of
ontgrendel de portieren of de achterklep
met de afstandsbediening.
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het
alarmsignaal uit door de portieren te
ontgrendelen en zet het contact binnen
12 seconden aan, of ontgrendel de
portieren of de achterklep met de
afstandsbediening.
55
Alarm
Zoekfunctie
Druk op de seek toets om:
af te stemmen op het volgende
radiostation op een hogere of lagere
frequentie
het volgende of vorige nummer op de
CD af te spelen
de cassetteband snel voor- of
achterwaarts te laten spoelen.
Druk een seek toets in en houd deze
ingedrukt om:
af te stemmen op een radiostation op
een hogere of lagere frequentie
door een CD nummer te zoeken
57
Stuurwiel
VOORRUITWISSERS
B
C
D
A
E70696
Eenmalig wissenA
Wissen met intervallenB
Normale wissnelheidC
Hoge wissnelheidD
Wissen met intervallen
E70315
B
A
C
Wissen met korte intervallenA
Wissen met intervallenB
Wissen met lange intervallenC
AUTOMATISCH IN- EN
UITSCHAKELENDE
RUITENWISSERS
LET OP
Schakel de automatische wisfunctie
niet bij droog weer in. De
regensensor is bijzonder gevoelig en
de ruitenwissers kunnen in werking treden
indien de voorruit met vuil, mist of vliegen
in aanraking komt.
Vervang de ruitenwisserbladen zodra
deze strepen water en vuil op de
voorruit achterlaten. Als de
ruitenwisserbladen niet worden
vervangen, blijft de regensensor continu
water op de voorruit waarnemen. Dit
heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in
werking treden terwijl het grootste deel
van de voorruit droog is.
Zorg bij vorst dat de voorruit volledig
is ontdooit voordat u de
automatische wisfunctie selecteert.
Schakel de automatische wisfunctie
uit voordat u een wasstraat
binnenrijdt.
58
Ruitenwissers en ruitensproeiers
E70315
B
A
C
Hoge gevoeligheidA
AanB
Lage gevoeligheidC
Wanneer u de automatische wisfunctie
inschakelt, maken de ruitenwissers pas
een wisbeweging nadat water op de
voorruit is geregistreerd. De regensensor
meet daarna continu de hoeveelheid
water op de voorruit en zal de snelheid
van de ruitenwissers automatisch
instellen.
Stel de gevoeligheid van de regensensor
met de draaiknop in. Bij een lage
gevoeligheid zullen de ruitenwissers in
werking treden wanneer de sensor een
grote hoeveelheid water op de voorruit
registreert. Bij een hoge gevoeligheid
zullen de ruitenwissers in werking treden
wanneer de sensor een kleine
hoeveelheid water op de voorruit
registreert.
VOORRUITSPROEIERS
WAARSCHUWING
Schakel de ruitenwissers niet langer
dan 10 seconden achtereen in of
wanneer het reservoir leeg is.
N.B.:
Wanneer het contact aanstaat
worden de ruitensproeiermonden
verwarmd.
E70776
VOORRUITSPROEIERS
AFSTELLEN
E73425
De ruitensproeiers kunnen worden
afgesteld door een speld in de
kogelvormige sproeierkoppen te steken
en de sproeiers in de gewenste stand te
draaien.
59
Ruitenwissers en ruitensproeiers
ACHTERRUITWISSERS EN -
SPROEIERS
Wissen met intervallen
E70777
Wissen tijdens achteruitrijden
De achterruitwisser treedt automatisch in
werking wanneer de achteruit wordt
ingeschakeld en de
ruitenwisserschakelaar in stand B,Cof
Dstaat.
Ruitensproeier
WAARSCHUWING
Schakel de achterruitsproeier niet
langer dan 10 seconden achtereen
in of wanneer het reservoir leeg is.
E70777
Trek de hendel volledig naar het stuurwiel
toe en houd hem in deze stand om de
ruitensproeiers in te schakelen.
KOPLAMPSPROEIERS
Bij ingeschakelde koplampen werken de
koplampsproeiers in combinatie met de
voorruitsproeiers.
N.B.:
Om ervoor te zorgen de het
ruitensproeierreservoir te snel leegraakt,
werken de koplampsproeiers niet telkens
wanneer de voorruitsproeiers in werking
worden gesteld.
RUITENWISSERBLADEN
CONTROLEREN
E66644
Controleer met uw vingertoppen de
rubber randen van de ruitenwisserbladen
op oneffenheden.
Reinig de ruitenwisserbladen met een in
water gedrenkte, zachte spons.
60
Ruitenwissers en ruitensproeiers
RUITENWISSERBLADEN
VERVANGEN
Voorruitwisserbladen
LET OP
Zet om de ruitenwisserbladen te
vervangen de voorruitwissers in de
onderhoudsstand.
U kunt de onderhoudsstand in de
winter gebruiken om de
ruitenwisserbladen eenvoudiger te
kunnen bereiken om deze vrij te maken
van sneeuw en ijs. De voorruitwissers
keren in hun normale stand terug zodra
u het contact aanzet, u moet er dus voor
zorgen dat de buitenzijde van de voorruit
geheel vrij is van sneeuw en ijs voordat u
het contact aanzet.
N.B.:
De bladen van voorruitwissers
hebben zijn verschillend qua lengte. Zie
Technische specificatie (bladzijde
62). Wanneer u ruitenwisserbladen met
een onjuiste lengte aanbrengt, is het
mogelijk dat de regensensor niet correct
meer werkt.
Zet de voorruitwissers in de
onderhoudsstand.
E75184
A
E75188
Zet het contact af en zet binnen drie
seconden de ruitenwisserhendel in de
stand A. Laat de hendel los wanneer de
ruitenwissers in de onderhoudsstand
staan.
Zet de ruitenwisserarmen omhoog.
E72899
1
2
Aanbrengen geschiedt in omgekeerde
volgorde van verwijderen.
N.B.:
Controleer of het ruitenwisserblad
goed op zijn plaats komt te zitten.
61
Ruitenwissers en ruitensproeiers
VERLICHTINGSBEDIENING
Standen van de lichtschakelaar
E70718
A B C
UitA
Stads- en achterlichtenB
KoplampenC
Parkeerlichten
LET OP
Door langdurig gebruik van de
parkeerlichten wordt de accu
ontladen.
Zet het contact af.
Beide zijden
Zet de lichtschakelaar in stand B.
Een zijde
E75505
A
B
RechterzijdeA
LinkerzijdeB
Grootlicht en dimlicht
E70725
Trek de hendel geheel naar het stuurwiel
toe om te wisselen tussen grootlicht en
dimlicht.
Lichtsignaal
Trek de schakelaarhendel naar het
stuurwiel toe.
63
Verlichting
Home safe verlichting
Schakel de verlichting uit en trek de
richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe
om de koplampen in te schakelen. Er
klinkt kort een signaal. Bij een geopende
deur gaan de koplampen automatisch na
drie minuten uit, of 30 seconden nadat
de laatste deur is gesloten.
Wanneer alle deuren zijn gesloten en een
deur wordt binnen de 30 seconden
vertragingstijd weer geopend, start de
tijdschakeling van drie minuten opnieuw.
De home safe functie kan worden
uitgeschakeld door hetzij de
richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het
stuurwiel te trekken of door het contact
aan te zetten.
DAGRIJLICHT
De lampen gaan branden wanneer het
contact wordt ingeschakeld.
AUTOMATISCH IN- EN
UITSCHAKELENDE
VERLICHTING
E70719
N.B.:
Wanneer u de automatisch
in-/uitschakelende verlichting hebt
ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht
inschakelen wanneer de functie de
koplampen heeft ingeschakeld.
Afhankelijk van de lichtsituatie worden de
koplampen automatisch in- en
uitgeschakeld.
AUTOMATISCHE
GROOTLICHTREGELING
WAARSCHUWINGEN
Het systeem is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn. Een
handmatige deactivering kan nodig zijn
indien het systeem het grootlicht niet in-
of uitschakelt.
Een handmatige deactivering kan
nodig zijn bij het naderen van andere
weggebruikers, zoals fietsers.
Gebruik het systeem niet in de mist.
LET OP
Onder koude en barre
weersomstandigheden is het
mogelijk dat het systeem niet werkt.
In dergelijke gevallen kan handmatige
deactivering nodig zijn.
Reflecterende verkeersborden
kunnen als tegemoetkomend
verkeer worden herkend en de
koplampen kunnen dan in de dimstand
worden geschakeld.
Indien de lampen van
tegemoetkomende voertuigen
achter obstakels verborgen zijn
(bijvoorbeeld vangrails), is het mogelijk dat
het systeem het grootlicht niet
deactiveert.
64
Verlichting
LET OP
Breng altijd Originele Ford
Onderdelen aan wanneer
gloeilampen voor de koplampen
worden vervangen. Andere gloeilampen
kunnen de prestaties van het systeem
verminderen.
Controleer en vervang
ruitenwisserbladen regelmatig om
ervoor te zorgen dat de
camerasensor vrij zicht door de voorruit
heeft. Vervangende ruitenwisserbladen
moeten de juiste lengte hebben.
N.B.:
Houd de voorruit vrij van
belemmeringen zoals uitwerpselen van
vogels, insecten en sneeuw of ijs.
Het systeem schakelt automatisch
grootlicht in indien het voldoende donker
is en er geen ander verkeer is. Indien het
system de koplampen of achterlichten
van een naderend voertuig waarneemt,
of de straatverlichting vóór de auto,
schakelt het systeem het grootlicht uit
voordat het andere weggebruikers kan
verblinden. Dimlicht blijft ingeschakeld.
Een camerasensor is centraal achter de
voorruit van het voertuig gemonteerd en
controleert continu de omstandigheden
om te beslissen wanneer het systeem
geactiveerd en gedeactiverd moet
worden.
Zodra het systeem actief is, wordt het
grootlicht ingeschakeld indien:
het voldoende donker is om het
gebruik van grootlicht nodig te maken
en
er geen verkeer of straatverlichting
vóór het voertuig is en
de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u.
Het grootlicht wordt uitgeschakeld indien:
Het omgevingslicht voldoende is om
grootlicht overbodig te maken.
De koplampen van een
tegemoetkomend voertuig worden
ontdekt.
Straatverlichting wordt ontdekt.
De rijsnelheid minder wordt dan 25
km/uur.
De camerasensor te heet is of
versperd is.
Het systeem activeren
Schakel het systeem in m.b.v. het
informatiedisplay en de automatisch
inschakelende koplampen. Zie
Infodisplays (bladzijde 98). Zie
Automatisch in- en uitschakelende
verlichting (bladzijde 64).
E70719
Zet de schakelaar in de stand van de
automatisch inschakelende koplampen.
N.B.:
Het systeem kan enige tijd nodig
hebben om te initialiseren na eerst het
contact in te scahekelen, met name in
zeer donkere omstandigheden. Het
grootlicht wordt gedurende deze periode
niet automatisch ingeschakeld.
65
Verlichting
De gevoeligheid van het
systeem instellen.
Het systeem heeft drie
gevoeligheidsniveaus die toegankelijk zijn
via het informatiedisplay. Zie
Infodisplays (bladzijde 98).
De gevoeligheid bepaalt de snelheid
waarmee het grootlicht wordt hersteld
nadat ontdekt verkeer het zichtveld heeft
verlaten.
Het systeem handmatig
onderbreken
E70725
Gebruik de grootlichthendel om te
schakelen tussen grootlicht en dimlicht.
N.B.:
Dit is een tijdelijke onderbreking en
het systeem keert na een korte periode
naar automatische werking terug.
Om het systeem permanent te
deactiveren, gebruikt u het
informatiedisplaymenu of schakelt u de
lichtschakelaar van automatisch
inschakelende koplampen naar
koplampen.
VOORSTE MISTLAMPEN
E70721
WAARSCHUWING
Gebruik de mislampen alleen
wanneer het zicht ernstig wordt
belemmerd door mist, sneeuw of
regen.
MISTACHTERLICHTEN
E70720
WAARSCHUWINGEN
Gebruik de mistachterlichten alleen
wanneer het zicht minder dan 50
meter bedraagt.
Schakel de mistachterlichten niet in
bij regen of sneeuwval en wanneer
het zicht meer dan 50 meter
bedraagt.
66
Verlichting
KOPLAMPEN AFSTELLEN -
AUTO'S MET ADAPTIEVE
VERLICHTING,
VOOR/XENONKOPLAMPEN
Ga naar uw dealer voor het instellen van
de koplampen voor rechts- of linksrijdend
verkeer.
KOPLAMPHOOGTE
AFSTELLEN
N.B.:
Uitvoeringen met Xenon
koplampen zijn uitgerust met
automatische regeling van de
koplamplichtbundels.
E70722
AB
Hoge stand van de
koplamplichtbundels
A
Lage stand van de
koplamplichtbundels
B
U kunt de hoogte van de
koplamplichtbundels aanpassen aan de
belading van de wagen.
Aanbevolen regelknopstanden
Schakelaar-
stand
Lading in
bagagecom-
partiment
Belading
Stoelen, derde
zitrij
Stoelen,
tweede zitrij
Voorstoelen
0---1-2
0 (0.5)2
-2-1-2
1 (0.5)2
--31-2
3 (0.5)2
Max1
-31-2
4 (1.5)2
Max1
--1
1Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 274).
2Uitvoeringen met actieve schokdemperregeling.
67
Verlichting
WAARSCHUWINGSKNIP-
PERLICHTEN
N.B.:
Afhankelijk van de
verkeerswetgeving van het land waarin
uw wagen oorspronkelijk is gebouwd,
knipperen de
waarschuwingsknipperlichten wanneer u
krachtig remt.
E71943
Positie van onderdeel: Zie Kort
overzicht (bladzijde 11).
ADAPTIEF VERLICHTINGSSYSTEEM, VOOR (AFS)
E72897
A
B
A
B
zonder AFSA
met AFSB
Het AFS stelt het dimlicht afhankelijk van
de richting en de snelheid van de wagen
af. Het verbetert het zicht tijdens het rijden
in het donker en helpt verblinding van
tegenliggers voorkomen.
Het systeem werkt niet bij stilstaande
wagen, wanneer de verlichting overdag
of de achteruitversnelling is ingeschakeld.
68
Verlichting
Bij storingen in het systeem verschijnt een
bericht op het informatiedisplay. Zie
Infoberichten (bladzijde 111). De
koplampen worden in een vaste centrale
stand of die van het dimlicht gesteld. Laat
het systeem zo snel mogelijk controleren.
Bochtverlichting
E72898
B
A
B
A
Lichtbundel van koplampA
Lichtbundel van bochtverlichtingB
Bij het nemen van een bocht verlicht de
bochtverlichting de binnenzijde van de
bocht.
69
Verlichting
RICHTINGAANWIJZERS
E70727
N.B.:
Beweeg de
richtingaanwijzerschakelaar even omhoog
of omlaag om de richtingaanwijzers
driemaal te laten knipperen.
INTERIEURVERLICHTING
Instapverlichting
C
B
A
E71945
UitA
PortiercontactB
AanC
Wanneer u de schakelaar in stand Bzet,
gaat de interieurverlichting branden
wanneer u een portier of de achterklep
ontgrendelt of opent. Wanneer u bij
uitgeschakeld contact een portier open
laat, gaat de instapverlichting na enige tijd
automatisch uit om te voorkomen dat de
accu leegraakt. Zet het contact even aan
om de verlichting weer in te schakelen.
De interieurverlichting gaat ook branden
wanneer u het contact afzet. De
verlichting gaat korte tijd later automatisch
uit of wanneer u de motor start of
opnieuw start.
Wanneer u bij uitgeschakeld contact de
schakelaar in stand Czet, gaat de
instapverlichting aan. Deze gaat na korte
tijd automatisch uit om te voorkomen dat
de accu leegraakt. Zet het contact even
aan om de verlichting weer in te
schakelen.
Leeslampen
E71946
Wanneer u het contact afzet, gaan de
leeslampen korte tijd later automatisch uit
om te voorkomen dat de accu leegraakt.
Zet het contact korte tijd aan om de
verlichting weer in te schakelen.
70
Verlichting
LED-interieurverlichting
B
A
E131657
Aan/uit-schakelaar afzonderlijke
lamp
A
Hoofdschakelaar aan en uitB
U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
schakelaar B.
N.B.:
Indien alle lampen door de
bestuurder zijn ingeschakeld, kunnen ze
niet onafhankelijk worden uitgeschakeld.
De lampen gaan branden wanneer u een
portier of de achterklep ontgrendelt of
opent. Wanneer u het contact afzet, gaan
alle lampen korte tijd later automatisch uit
om te voorkomen dat de accu leegraakt.
Zet het contact korte tijd aan om de
verlichting weer in te schakelen.
Als u schakelaar B3 seconden ingedrukt
houdt, blijven alle lampen uitgeschakeld
ongeacht de positie van de portieren of
de achterklep. Druk nogmaals kort op de
schakelaar om dit ongedaan te maken.
Verlichting make-up spiegels
A
B
E72900
UitA
AanB
Wanneer u het contact afzet, gaat de
verlichting van de make-up spiegels korte
tijd later automatisch uit om te voorkomen
dat de accu leegraakt. Zet het contact
korte tijd aan om de verlichting weer in te
schakelen.
EEN KOPLAMP
VERWIJDEREN
WAARSCHUWING
Laat Xenon gloeilampen door een
goed opgeleide monteur
vervangen. Er bestaat kans op een
elektrische schok.
1. Open de motorkap. Zie De
motorkap openen en sluiten
(bladzijde 246).
71
Verlichting
E72257
N.B.:
Wanneer u de koplamp verwijderd,
controleer dan of de voorste schroef in
de koplamprand achterblijft.
2. Verwijder de schroeven.
E88875
3. Trek de multistekker los.
4. Trek de koplamp zover mogelijk naar
het midden van de auto en maak hem
los van het onderste bevestigingspunt.
5. Trek de buitenzijde van de koplamp
omhoog en verwijder hem.
N.B.:
Wanneer de koplamp wordt
gemonteerd, let er dan op dat de stekker
correct wordt aangesloten.
N.B.:
Wanneer de koplamp wordt
gemonteerd, let er dan op dat het
onderste bevestigingspunt van de
koplamp goed op zijn plaats komt te
zitten.
N.B.:
Bij het monteren van de koplamp
moet de voorste schroef in de
koplamprand zitten alvorens u deze
aanbrengt.
N.B.:
Zet bij het aanbrengen van de
koplamp eerst de schroef aan de
voorzijde vast en daarna de schroef aan
de achterzijde.
GLOEILAMPENVERVANGEN
WAARSCHUWINGEN
Schakel de verlichting en vervolgens
het contact uit.
Laat de gloeilamp afkoelen voordat
u deze verwijdert.
Laat Xenon gloeilampen door een
goed opgeleide monteur
vervangen. Er bestaat kans op een
elektrische schok.
LET OP
Raak het glas van de gloeilamp niet
aan.
Breng alleen gloeilampen met de
juiste specificaties aan. Zie
Gloeilampentabel (bladzijde 81).
N.B.:
De volgende instructies beschrijven
hoe de gloeilampen moeten worden
verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen
in omgekeerde volgorde van verwijderen
aan, tenzij anders is voorgeschreven.
Koplamp
N.B.:
Verwijder de kappen om de
gloeilampen te kunnen bereiken.
72
Verlichting
A B C D
E72258
RichtingaanwijzerA
Koplamp, grootlichtB
Koplamp, dimlichtC
BochtverlichtingD
Richtingaanwijzer
1. Verwijder de koplamp. Zie Een
koplamp verwijderen (bladzijde
71).
E72259
2
3
2. Draai de lamphouder linksom en
verwijder deze.
3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
lamphouder en draai de gloeilamp
linksom. Verwijder de gloeilamp.
Koplamp, grootlicht
LET OP
Raak het glas van de gloeilamp niet
aan.
1. Verwijder de koplamp. Zie Een
koplamp verwijderen (bladzijde
71).
E72261
3
2
2. Trek de multistekker los.
3. Maak de klem los en verwijder de
gloeilamp.
Koplamp, dimlicht
LET OP
Raak het glas van de gloeilamp niet
aan.
1. Verwijder de koplamp. Zie Een
koplamp verwijderen (bladzijde
71).
73
Verlichting
E72291
2. Verwijder de lamphouder.
3. Verwijder de gloeilamp.
Naderingslicht
N.B.:
Draai het spiegelglas zover mogelijk
naar binnen.
E72264
1
1. Steek een schroevendraaier in de
spleet tussen het spiegelhuis en het
spiegelglas maak de metalen klem los.
E72265
2
3
2. Verwijder de lamp.
3. Verwijder de gloeilamp.
Mistlamp en stadslicht (S-MAX)
1. Verwijder de koplamp voor toegang
tot de mistlamp. Zie Een koplamp
verwijderen (bladzijde 71).
E126440
3
2
4
5
6
2. Trek de multistekker los.
N.B.:
De gloeilamp van de mistlamp kan
niet uit de lamphouder worden verwijderd.
3. Draai de lamphouder van de mistlamp
linksom en verwijder hem.
4. Trek de multistekker los.
75
Verlichting
5. Draai de lamphouder van het
stadslicht linksom en verwijder hem.
6. Verwijder de gloeilamp van het
stadslicht.
Mistlamp en stadslicht (Galaxy)
E126538
3
2
4
1
1. Verwijder de schroef.
2. Verwijder de lamp.
3. Trek de stekker van de mistlamp los.
N.B.:
De gloeilamp van de mistlamp kan
niet uit de lamphouder worden verwijderd.
4. Draai de lamphouder van de mistlamp
linksom en verwijder hem.
E72269
6
5
5. Draai de lamphouder van het
stadslicht linksom en verwijder hem.
6. Verwijder de gloeilamp van het
stadslicht.
Achterlichten (S-MAX)
Richtingaanwijzer
E74078
1. Verwijder de bekledingspanelen.
E72270
2. Verwijder de vleugelmoeren.
76
Verlichting
E74079
3. Verwijder de lamp.
4. Verwijder de kap.
5. Draai de lamphouder linksom en
verwijder deze.
6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
lamphouder en draai de gloeilamp
linksom. Verwijder de gloeilamp.
Achterlicht en remlicht
N.B.:
Deze items kunnen niet worden
gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
wanneer deze defect raken.
E126274
Achteruitrijlamp, achterlicht en
mistachterlicht
E72271
1. Verwijder het bekledingspaneel.
E74076
2. Verwijder de vleugelmoeren.
3. Verwijder de lamp.
4. Trek de multistekker los.
77
Verlichting
E126303
5. Verwijder de schroeven.
6. Verwijder de lamphouder.
7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
lamphouder en draai de gloeilamp
linksom. Verwijder de gloeilamp.
Achterlicht (Galaxy)
Richtingaanwijzer en
rem-/achterlicht
E75380
1. Verwijder het bekledingspaneel.
E72791
2. Verwijder de vleugelmoeren.
E72792
3. Verwijder de lamp.
4. Trek de multistekker los.
78
Verlichting
E72793
N.B.:
Sommige auto's zijn uitgerust met
LED-achterlichten. Deze items kunnen
niet worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b.
uw dealer wanneer deze defect raken.
5. Verwijder de schroef.
6. Verwijder de lamphouder.
7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
lamphouder en draai de gloeilamp
linksom. Verwijder de gloeilamp.
Achteruitrijlamp, achterlicht en
mistachterlicht
E72794
1. Verwijder het bekledingspaneel.
E72795
2. Verwijder de vleugelmoeren.
3. Verwijder de lamp.
4. Trek de multistekker los.
E126393
5. Verwijder de schroef.
6. Verwijder de lamphouder.
7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
lamphouder en draai de gloeilamp
linksom. Verwijder de gloeilamp.
Derde remlicht
N.B.:
Deze items kunnen niet worden
gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
wanneer deze defect raken.
79
Verlichting
Kentekenplaatverlichting
E72789
3
2
1
1. Maak voorzichtig de klemveer los.
2. Verwijder de lamp.
3. Draai de lamp linksom en verwijder
deze.
Interieurverlichting
Auto's met LED-lampen
N.B.:
Deze items kunnen niet worden
gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
wanneer deze defect raken.
Auto's zonder interieursensors
3
2
E72788
1. Werk voorzichtig de lamp los.
2. Verwijder het lampglas.
3. Verwijder de gloeilamp.
Auto's met interieursensors
E72787
2
3
1. Werk voorzichtig de lamp los.
2. Verwijder het lampglas.
3. Verwijder de gloeilamp.
Leeslampen
Auto's zonder interieursensors
E72796
33
2
1. Werk voorzichtig de lamp los.
2. Verwijder het lampglas.
3. Verwijder de gloeilamp.
80
Verlichting
Auto's met interieursensors
E72786
22
1
1. Werk de lamp voorzichtig los.
2. Draai de lamphouder linksom en
verwijder deze.
E73939
3
3. Verwijder de gloeilamp.
Verlichting make-up spiegel
E72785
1. Werk de lamp voorzichtig los.
2. Verwijder de gloeilamp.
Bagageruimtelamp en
achterkleplamp
E72784
1. Werk de lamp voorzichtig los.
2. Verwijder de gloeilamp.
GLOEILAMPENTABEL
Vermogen (watt)SpecificatieLamp
21PY21WRichtingaanwijzer, voor
55H1Koplamp, grootlicht
81
Verlichting
Vermogen (watt)SpecificatieLamp
55H7Koplamp, dimlicht
55H1Bochtverlichting
5W5WZijknipperlicht
5W5WNaderingslicht
35H8Mistlamp, vóór (S-MAX)
55HB4Mistlamp, vóór (Galaxy)
5W5WStadslicht
21PY21WRichtingaanwijzer, achter
21P21WMistachterlicht
21P21WAchteruitrijlamp
5W5WKentekenplaatverlichting
10BuislampInterieurverlichting
5BA9sLeeslamp
5W5WVerlichting make-up spiegel
6W6WVerlichting bagageruimte
82
Verlichting
ELEKTRISCH BEDIENBARE
RUITEN
WAARSCHUWING
Schakel de elektrisch bedienbare
ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van
obstructies.
N.B.:
Wanneer de ruiten gedurende
korte tijd vaak worden bediend kan het
systeem een bepaalde tijd buiten werking
treden om schade door oververhitting te
voorkomen.
N.B.:
U kunt de ruiten nog enkele
minuten na het afzetten van het contact
bedienen. Zodra een portier wordt
geopend wordt het mechanisme
uitgeschakeld.
N.B.:
Wanneer u de schakelaar voor het
betreffende portier en de schakelaar voor
de ruit op het bestuurdersportier
tegelijkertijd indrukt, stopt de ruit.
Zet het contact aan om de elektrisch
bedienbare ruiten te openen of te sluiten.
Integraal openen en sluiten
U kunt ook bij afgezet contact de
elektrisch bedienbare ruiten bedienen met
behulp van de functie integraal openen
en sluiten. Zie Centrale vergrendeling
(bladzijde 45).
N.B.:
Met deze functie worden, alleen bij
uitvoeringen met vier elektrisch
bedienbare ruiten, de ruiten automatisch
geopend of gesloten.
N.B.:
Het integraal sluiten werkt alleen
als het geheugen voor elke ruit
afzonderlijk correct is ingesteld.
Schakelaar op het
bestuurdersportier
E121510
Met behulp van de schakelaars op het
bestuurdersportier kunt u alle ruiten
bedienen.
Schakelaars op het voor- en
achterportier aan
passagierszijde
E70849
83
Ruiten en spiegels
Ruiten automatisch openen en
sluiten
Druk de schakelaar tot de tweede aanslag
in of til hem tot de tweede aanslag op en
laat hem los. Druk de schakelaar opnieuw
in of trek hem opnieuw omhoog om de
beweging te stoppen.
Veiligheidsschakelaar voor de
achterste ruiten
WAARSCHUWING
Bij sommige auto's worden door
drukken op de schakelaar tevens
de achterportieren van binnenuit
vergrendeld. Zie Kindersloten
(bladzijde 29).
N.B.:
U kunt altijd de ruiten achterin vanaf
het bestuurdersportier bedienen.
E121511
Met een schakelaar op het
bestuurdersportier kan de elektrische
bediening van de achterste ruiten worden
geblokkeerd.
Het lampje in de schakelaar gaat branden
en de lampjes in de schakelaars van de
achterste ruiten gaan uit wanneer de
blokkering is ingeschakeld.
Antiklemfunctie
WAARSCHUWING
Het onzorgvuldig sluiten van de
ruiten kan deze
beschermingsfunctie opheffen en
verwonding tot gevolg hebben.
De ruit stopt automatisch tijdens het
sluiten en gaat een stukje terug wanneer
de ruit een obstakel tegenkomt.
Antiklemfunctie uitschakelen
LET OP
Wanneer u de ruit voor de derde
keer sluit, wordt de antiklemfunctie
uitgeschakeld. Controleer of er geen
obstakels in de weg zitten.
Om deze veiligheidsvoorziening uit te
schakelen wanneer er meer weerstand
is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als
volgt te werk:
1. Sluit de ruiten tweemaal tot aan de
weerstand en laat deze
terugschuiven.
2. Sluit de ruit voor een derde keer tot
deze weerstand ondervindt. De
antiklemfunctie wordt uitgeschakeld
en u kunt de ruit niet meer
automatisch sluiten. De ruit zal de
weerstand overbruggen en u kunt de
ruit volledig sluiten.
3. Sluit de ruit na de derde poging nog
niet, laat deze dan controleren door
een goed opgeleide monteur.
84
Ruiten en spiegels
Geheugen van de elektrisch
bedienbare ruiten opnieuw
instellen
WAARSCHUWING
De antiklemfunctie wordt buiten
werking gesteld tot het geheugen
opnieuw is ingesteld.
Nadat de accukabels zijn losgenomen
moet het geheugen van elke ruit
afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:
1. Trek de schakelaar omhoog tot de ruit
volledig is gesloten. Houd de
schakelaar nog een seconde
omhooggetrokken.
2. Laat de schakelaar los en trek hem
twee tot drie keer opnieuw een
seconde lang omhoog.
3. Open de ruit en probeer hem
automatisch te sluiten.
4. Herhaal de procedure wanneer de ruit
niet automatisch sluit.
Veiligheidsmodus
WAARSCHUWING
De antiklemfunctie werkt tijdens
deze procedure niet.
Wanneer het systeem een storing
vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in
werking. De ruiten bewegen per keer
slechts 0,5 seconde en stoppen opnieuw.
Sluit de ruiten door de schakelaar
opnieuw in te drukken wanneer deze
stopt. Laat deze storing onmiddellijk
controleren.
BUITENSPIEGELS
WAARSCHUWING
Vergis u niet in de afstand van
voorwerpen die u in deze
groothoekspiegel ziet. Voorwerpen
die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner
uit en lijken verder weg te zijn dan in
werkelijkheid het geval is.
Handmatig inklapbare spiegels
Inklappen
Druk de spiegel in de richting van de
portierruit.
Uitklappen
Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig
wordt vergrendeld wanneer u deze weer
in zijn oorspronkelijke stand terugzet.
ELEKTRISCHVERSTELBARE
BUITENSPIEGELS
A C
B
E70846
Linker spiegelA
UitB
Rechter spiegelC
85
Ruiten en spiegels
Richtingen waarin de spiegel
kan worden gekanteld
E70847
De elektrisch bedienbare buitenspiegels
zijn voorzien van een
verwarmingselement dat het spiegelglas
ontdooit en ontwasemt. Zie
Verwarmde ruiten en spiegels
(bladzijde 130).
Elektrisch inklapbare spiegels
Automatisch inklappen en
uitklappen
N.B.:
Als de spiegels zijn ingeklapt met
behulp van de toets handmatig inklappen,
dan kunnen deze alleen worden uitgeklapt
met behulp van de toets handmatig
inklappen.
De spiegels klappen automatisch uit
wanneer u de auto vergrendelt met
behulp van de sleutel, de
afstandsbediening of een verzoek van de
sleutelloze toegang. De spiegels klappen
uit wanneer u de auto ontgrendelt met
behulp van de sleutel, de
afstandsbediening, een verzoek van de
sleutelloze toegang, de binnenhandgreep
van het bestuurdersportier of door de
motor te starten.
Handmatig inklappen en uitklappen
De elektrisch inklapbare spiegels werken
bij aangezet contact.
N.B.:
U kunt de spiegels nog gedurende
enkele minuten na het afzetten van het
contact bedienen (kantelen en inklappen).
Zodra een portier wordt geopend wordt
het mechanisme uitgeschakeld.
E72623
Druk op de toets om de spiegel in of uit
te klappen.
Wanneer nogmaals op de schakelaar
wordt gedrukt terwijl de spiegels in
beweging zijn, stoppen deze en keren in
de oorspronkelijke stand terug.
N.B.:
Wanneer de spiegels gedurende
korte tijd vaak worden bediend, kan het
systeem tijdelijk buiten bedrijf zijn om
schade door oververhitting te voorkomen.
Spiegel kantelen tijdens
achteruitrijden
Afhankelijk van de schakelaarstand (Aof
C), kantelt de betreffende buitenspiegel
wanneer u de achteruit inschakelt, zodat
u de trottoirband kunt zien.
86
Ruiten en spiegels
N.B.:
U kunt deze voorziening
uitschakelen door de schakelaar in stand
Bte zetten.
De buitenspiegel keert in de
oorspronkelijke stand terug:
Wanneer de rijsnelheid hoger is dan
10 km/h (6 mph).
Ongeveer 10 seconden nadat de
achteruit niet langer is ingeschakeld.
Als de schakelaar in stand Bwordt
teruggezet.
Wanneer u deze voorziening voor het
eerst gebruikt, kantelt de spiegel in een
in de fabriek ingestelde stand. Deze stand
kan worden aangepast via de volgende
procedure:
1. Zet het contact aan. Start de motor
niet.
2. Selecteer de gewenste buitenspiegel
(Aof C).
3. Schakel de achteruit in, de
geselecteerde buitenspiegel keert in
de vooringestelde stand.
4. Stel de spiegel in de gewenste,
gekantelde stand.
5. Schakel de achteruitversnelling uit of
druk op de gewenste
geheugeninsteltoets en houd deze
ingedrukt tot ter bevestiging een
gongsignaal klinkt. Zie
Geheugenfunctie (bladzijde 153).
De instellingen worden automatisch
opgeslagen.
AUTOMATISCH DIMMENDE
SPIEGEL
E71028
De automatisch dimmende
achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding
door achteropkomend verkeer. Bij
ingeschakelde achteruitversnelling werkt
hij niet.
ACHTERSTE ZIJRUITEN
Handbediende achterste
zijruiten
Openen
1
E72126
87
Ruiten en spiegels
2
E95383
Sluiten
1
E95384
2
E95385
N.B.:
Zorg ervoor dat de hendel goed
wordt vergrendeld.
Elektrisch bedienbare
achterste zijruiten
Zet het contact aan om de elektrisch
bedienbare achterste zijruiten te openen
of te sluiten.
E72127
88
Ruiten en spiegels
MONITOR DODE HOEK
Informatiesysteem dode hoek
(BLIS)
WAARSCHUWINGEN
Het systeem is niet ontworpen om
contact met andere auto's of
voorwerpen te voorkomen. Het
systeem dient alleen als een
waarschuwing om te helpen bij het
registreren van auto's in blinde hoeken.
Het systeem registreert geen
voorwerpen, voetgangers of fietsers.
Gebruik het systeem niet als
vervanging van de zijspiegels en de
achteruitkijkspiegels en het over de
schouder kijken alvorens van rijstrook te
veranderen. Het systeem is geen
vervanging voor voorzichtig rijden en mag
alleen worden gebruikt als hulpmiddel.
Het systeem is een comfortfunctie die de
bestuurder helpt bij het registreren van
auto's die de blinde hoek zijn
binnengereden (A). Het registratiegebied
bevindt zich aan beide zijden van de auto
en loopt vanaf de buitenspiegels tot
ongeveer 3 meter achter de bumper. Het
systeem geeft tijdens het rijden een
waarschuwing af wanneer bepaalde
auto's de blinde hoek binnenrijden.
A
A
E124788
Gebruik van het systeem
Het systeem geeft een gele indicator
weer die is aangebracht in de
buitenspiegels.
E124736
N.B.:
Nadat het contact is aangezet
branden beide indicatoren kort ter
bevestiging dat het systeem operationeel
is.
N.B.:
Bij auto's met automatische
transmissie is het systeem alleen actief in
stand Den N.
Het systeem is alleen actief vanaf
rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem
wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer
de achteruitrijversnelling wordt gekozen.
89
Ruiten en spiegels
Systeemregistratie en -
waarschuwingen
Het systeem activeert de waarschuwing
voor auto's die de blinde hoek
binnenrijden vanaf de achterzijde of de
zijkant. Voor auto's die worden ingehaald
of auto's die de blinde hoek vanaf de
voorzijde binnenrijden wordt de
waarschuwing alleen geactiveerd
wanneer de auto een korte periode in de
blinde hoek blijft rijden.
N.B.:
Voor auto's die snel door de blinde
hoek rijden (meestal minder dan 2
seconden) wordt de waarschuwing niet
geactiveerd.
Het systeem bestaat uit twee
radarsensoren die zijn aangebracht achter
de achterwielen (weggewerkt achter de
bumpers).
LET OP
Breng geen voorwerpen zoals
bumperstickers aan in dit gebied.
Reparaties aan deze gebieden met
behulp van carrosserievulmiddel
hebben een nadelige invloed op de
prestaties van het systeem.
E124741
Situaties waarin het
naderingsalarm niet werkt
Het kan voorkomen dat auto's die de
blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet
worden geregistreerd.
Gevallen waar dit kan voorkomen:
Vuilophoping op de
achterbumperpanelen in het gebied
van de sensoren.
Bepaalde manoeuvres van auto's die
de blinde hoek binnenrijden en
uitrijden.
Auto's die met hoge snelheid door de
blinde hoek rijden.
Slechte weersomstandigheden.
Verschillende auto's die kort na elkaar
door de blinde hoek rijden.
Valse waarschuwingen
N.B.:
Valse waarschuwingen zijn tijdelijk
en worden automatisch gecorrigeerd.
Het kan voorkomen dat het systeem een
waarschuwing afgeeft wanneer er geen
auto in de blinde hoek aanwezig is.
Gevallen waar dit kan voorkomen:
Vangrails.
Betonmuren bij de snelweg.
Gebieden in aanleg.
Scherpe bochten rond een gebouw.
Struiken en bomen.
Stoppen met een auto erachter en
erg dichtbij.
Systeem in- en uitschakelen
N.B.:
De stand aan of uit blijft behouden
tot deze handmatig wordt gewijzigd.
Het systeem kan worden in- en
uitgeschakeld met behulp van de
informatiedisplay. Zie Infodisplays
(bladzijde 98).
90
Ruiten en spiegels
METERS
Type 1 en 2
BA C D
E72984
ToerentellerA
KoelvloeistoftemperatuurmeterB
BrandstofmeterC
SnelheidsmeterD
92
Instrumenten
Type 3
AB
C
D
E
E130765
ToerentellerA
SnelheidsmeterB
KoelvloeistoftemperatuurmeterC
BrandstofmeterD
Informatiecentrum. Zie Infodisplays (bladzijde 98).
E
Koelvloeistoftempe-
ratuurmeter
N.B.:
Bij type 3 wordt deze meter
weergegeven binnen het
berichtencentrum; echter alleen wanneer
dit nodig is. Zie Infodisplays (bladzijde
98).
Geeft de temperatuur van de koelvloeistof
aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft
de naald in het centrale gedeelte.
LET OP
Start de motor niet voordat de
oorzaak voor de oververhitting is
verholpen.
Wanneer de naald in de richting van 120°C
beweegt, is de motor oververhit. Schakel
de motor uit, schakel het contact uit en
stel de oorzaak vast zodra de motor is
afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof
controleren (bladzijde 254).
93
Instrumenten
Brandstofmeter
N.B.:
Bij type 3 wordt deze meter
weergegeven in het berichtencentrum.
De pijl naast het symbool van de pomp
duidt aan aan welke zijde zich de klep van
de brandstofvulopening bevindt.
WAARSCHUWINGS- EN
INDICATIELAMPEN
Nadat het contact is aangezet gaan de
volgende waarschuwings- en
controlelampen kort branden ter
bevestiging dat het systeem operationeel
is:
ABS
Airbag
Dodehoekmonitor
Remsysteem
Koelvloeistoftemperatuur
Elektrische parkeerrem (EPB)
Motor
Vorst
Contact
Oliedruk
Stabiliteitsregeling (ESP)
Indien een van deze waarschuwings- of
controlelampjes niet gaat branden
wanneer het contact wordt ingeschakeld,
duidt dit op een storing. Laat het systeem
door een goed opgeleide monteur
controleren.
Waarschuwingslampje ABS
Als dit lampje brandt onder het
rijden, dan duidt dit op een
storing. De normale remwerking
blijft gehandhaafd (zonder ABS). Laat het
systeem zo snel mogelijk door een goed
opgeleide monteur controleren.
Waarschuwingslampje airbag
Als dit lampje brandt onder het
rijden, dan duidt dit op een
storing. Laat het systeem door
een goed opgeleide monteur controleren.
Indicator dodehoekmonitor
E124823
Deze brandt wanneer deze
functie wordt uitgeschakeld of
in combinatie met een bericht.
Zie Monitor dode hoek (bladzijde 89).
Zie Infoberichten (bladzijde 111).
Lamp remsysteem
De lamp gaat branden wanneer
de parkeerrem wordt
ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Verlaag geleidelijk uw snelheid en
breng de auto tot stilstand zodra dit
veilig kan. Gebruik de remmen
voorzichtig.
Als de lamp tijdens het rijden gaat
branden, controleer dan of de parkeerrem
niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem
niet is ingeschakeld, dan is er een storing
aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk
door een goed opgeleide monteur
controleren.
Waarschuwingslamp
koelvloeistoftemperatuur
LET OP
Hervat uw reis niet wanneer het
controlelampje gaat branden terwijl
het peil correct is. Laat het systeem
onmiddellijk door een goed opgeleide
monteur controleren.
94
Instrumenten
Waarschuwingslampje
laadstroom
Als dit lampje brandt onder het
rijden, dan duidt dit op een
storing. Schakel alle onnodige
stroomverbruikers uit. Laat het systeem
onmiddellijk door een goed opgeleide
monteur controleren.
Waarschuwing voor verlaten
rijstrook (lane departure)
Deze brandt wanneer deze
functie wordt uitgeschakeld of
in combinatie met een bericht.
Het controlelampje dooft wanneer u het
systeem weer inschakelt of wanneer u
het contact uitschakelt. Zie
Waarschuwing rijden buiten baan
(bladzijde 203). Zie Infoberichten
(bladzijde 111).
Waarschuwingslampje laag
brandstofniveau
Wanneer deze lamp brandt, ga
dan zo spoedig mogelijk tanken.
Controlelamp grootlicht
Brandt wanneer u het grootlicht
inschakelt. Het knippert
wanneer u een lichtsignaal
geeft.
Berichtenindicator
Brandt wanneer een nieuw
bericht in het informatiedisplay
is opgeslagen. Zie
Infoberichten (bladzijde 111).
Controlelamp oliedruk
LET OP
Hervat uw reis niet wanneer het
waarschuwingslampje oliedruk gaat
branden terwijl het oliepeil correct is.
Laat het systeem onmiddellijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
Wanneer de lamp na het starten
blijft branden of tijdens het rijden
gaat branden, duidt dit op een
storing. Breng de auto tot stilstand zodra
dit veilig kan en schakel de motor uit.
Controleer het motoroliepeil. Zie
Motorolie controleren (bladzijde 253).
Controlelampje mistachterlicht
Brandt wanneer u de
mistachterlichten inschakelt.
Herinneringssysteem
veiligheidsgordel
Zie Waarschuwingssignaal
veiligheidsgordel (bladzijde
35).
Controlelampje schakelen
Het controlelampje brandt om
aan te geven dat schakelen
naar een hogere versnelling
zuiniger is en voor een lagere
CO2-uitstoot zorgt. Het controlelampje
brandt niet tijdens perioden van hoge
acceleratie, remmen of intrappen van het
koppelingspedaal.
96
Instrumenten
Waarschuwingslampje
stabiliteitsregeling (ESP)
Wanneer het systeem tijdens
het rijden wordt geactiveerd,
knippert de lamp. Als na het
inschakelen van het contact dit lampje
niet brandt of indien het tijdens het rijden
continu brandt, dan duidt dit op een
storing. Bij storingen schakelt het systeem
uit. Laat het systeem zo snel mogelijk
door een goed opgeleide monteur
controleren.
Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat het
waarschuwingslampje branden. Het
lampje gaat uit wanneer u het systeem
weer inschakelt of wanneer u het contact
uitschakelt.
AKOESTISCHE
WAARSCHUWINGSSIGNALEN
EN -INDICATIES
De gongsignalen in- en
uitschakelen
Bepaalde gongsignalen kunt u
uitschakelen.
Type gong instellen:
E70499
1. Druk op de rechter pijltoets op het
stuurwiel om het hoofdmenu binnen
te gaan.
2. Selecteer Setup met de op en neer
pijltoetsen en druk op de rechter
pijltoets.
3. Selecteer Chimes en druk op de
rechter pijltoets.
4. Selecteer de gong en druk op de OK
toets om de gong in en uit te
schakelen.
5. Druk op de linker pijltoets om het
menu te verlaten. Houd de linker
pijltoets ingedrukt om terug te keren
naar de weergave van het
hoofdmenu.
97
Instrumenten
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWING
Bedien de toetsen van het
informatiedisplay niet tijdens het
rijden.
N.B.:
Het informatiedisplay blijft nadat u
het contact hebt afgezet gedurende
enkele minuten aan.
Diverse systemen van uw wagen kunnen
met behulp van de toetsen op het
stuurwiel worden bediend. De
bijbehorende informatie verschijnt op het
informatiedisplay.
Raadpleeg voor gedetailleerde
bedieningsinstructies voor de
audio-installatie, het navigatiesysteem, de
telefoon enz. de betreffende handleiding.
Bedieningstoetsen
E70499
Druk op de op en neer pijltjestoetsen:
om door de displays van de
boordcomputer te scrollen
om door de opties van een menu te
scrollen en deze te selecteren.
Druk op de rechter pijltjestoets:
om het hoofdmenu binnen te gaan
vanuit de displays van de
boordcomputer
om een sub-menu binnen te gaan
Druk op de linker pijltjestoets om een
menu te verlaten.
Houd telkens de linker pijltjestoets
ingedrukt wanneer u naar het hoofdmenu
wilt terugkeren (escape toets).
N.B.:
Wanneer u enige tijd op geen
enkele toets drukt, keert het systeem
automatisch terug naar het display van
de boordcomputer.
Druk op de OK toets om een keuze te
maken en een instelling te bevestigen.
Functies van de instrumentengroep
Type 3Type 2Type 1Functie
XXXBoordcomputer
XXXInformatieberichten
XXXKlok gelijkzetten
XX-Display-instellingen
98
Infodisplays
Type 3Type 2Type 1Functie
XX-Standkachel instellen
X--Bediening navigatiesysteem
X--Bediening CD-speler
X--Bediening CD-wisselaar
X--Bediening radio
X--Bediening telefoon
X--Bediening auxiliary aansluiting
Type 1
E80604
Druk op de op en neer pijltjestoetsen op
het stuurwiel om door de displays van de
boordcomputer te scrollen. Zie
Tripcomputer (bladzijde 107).
99
Infodisplays
Menustructuur
Informatie
Reset afst.
BLIS
ECO MODE
Gereden afst
Gem.verbruik
Gem.snelheid
Alle waarden
Berichten
Schakelen
Anticiperen
Snelheid
voor nadere info
Klok Stel klok in
24/h-modus
12/h-modus
E131626
Type 2
E74426
6,3
Gem.Verbruik
09:00
234,2 km
123456 km
l
100km
Druk op de op en neer pijltjestoetsen op
het stuurwiel om door de displays van de
boordcomputer te scrollen. Zie
Tripcomputer (bladzijde 107).
100
Infodisplays
Geluiden
Forw Alert
WeinigBrndst
Uitstaplicht
Alg. waarsch.
Alg. Info.
Laag
Uit
Hoog
Normaal
Uit
Handmatig
Automatisch
Hellingstart
Controleer
Beladen
Onbeladen
Band.spann.
Voll. alarm
Vragen
Gereduceerd
Alarm
Hulpverwarm.
Parkeerverw
BA
E87753
Instellen
Zaterdag
Zondag
Vrijdag
Donderdag
Maandag
Dinsdag
Woensdag
Instellen
Zaterdag
Zondag
Vrijdag
Donderdag
Maandag
Dinsdag
Woensdag
Tijd 1
Tijd 2
Eenmalig
Nu actief
102
Infodisplays
Menustructuur
CD
Navigatie Naar huis
Favor.Gebruik.
Favor. A-Z
Laatste best.
Beg.beëind.
Bestemmingen
Bestemmingen
Bestemmingen
Map / Tracks
Map / Tracks
Map / Tracks
Map / Tracks
Map / Tracks
Map / Tracks
Map / Tracks
Zenders
Zenders
Zenders
Zenders
Zenders
Zenders
Zenders
Nummers
Nummers
Nummers
Lijst zenders
FM 1 / FM
FM 2
FM 3
FM - AST
MW / AM
LW / AM-AST
CD-wisselaar CD 1
CD 2
CD 3
CD 4
CD 5
CD 6
de radio
Telefoonboek
Nummerherhaling
Ontvang. oproep.
Gebelde numm.
Status verbinding
Telefoon
A
E131628
Boordcomputer Actieradius
Ø-verbruik
Ø-snelheid
Act.elem.terugstell.
Dagteller terugstellen
104
Infodisplays
English
Kleurthema's
Configureren
Taalgegevens voor
Maateenheid
Scherm
Driver alert
Stel klok in
24-uurs
12-uursmodus
Schakelen
Anticiperen
Snelheid
Nadere info
Altijd uit
Bij aanw.
Altijd aan
Meldingen
Band.spann.
Koelvloeistoftemp.
Driver alert
Metrisch
Engelse conversie
Help-scherm
NAV-info
Instellingen
Informatie
Tijd
Instellingen
ESP
BLIS
ECOMODE
ACB
E131629
A
Deutsch
Italiano
Français
Español
Türkçe
Pyccкий
Nederlands
Polski
Português
Svenska
105
Infodisplays
Instellen
Zaterdag
Zondag
Woensdag
Dinsdag
Vrijdag
Donderdag
Maandag
Instellen
Zaterdag
Zondag
Woensdag
Dinsdag
Vrijdag
Donderdag
Maandag
Tijd 1
Tijd 2
Eenmalig
Nu actief
Parkeerverw.
Aux-ingang
BA
E88067
TRIPCOMPUTER
Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal
gereden kilometers weer.
Dagteller
De dagteller registreert het aantal
kilometers van een bepaald traject.
Actieradius tot de
brandstoftank leeg is
Duidt bij benadering de afstand aan die
nog kan worden afgelegd voordat de tank
leeg is. De waarde kan variëren naarmate
de rijomstandigheden veranderen.
Gemiddeld brandstofverbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
aan vanaf het moment dat de functie op
nul werd teruggesteld.
Gemiddelde snelheid
Geeft de berekende gemiddelde snelheid
aan vanaf het moment dat de functie op
nul werd teruggesteld.
Buitentemperatuur
Geeft de buitentemperatuur weer.
107
Infodisplays
1. Selecteer Boordcomputer met de
op en neer pijltjestoetsen en druk op
de rechter pijltjestoets.
2. Selecteer de functie die moet worden
teruggesteld.
3. Houd de OK toets ingedrukt.
PERSOONLIJKE
INSTELLINGEN
De volgende informatie wordt op het
informatiedisplay getoond wanneer u dit
hebt geselecteerd:
Helpscherm, informatie met
betrekking tot de radio, het
navigatiesysteem en de
telefoon.
Het helpscherm verschijnt enkele
seconden wanneer u het contact aan zet.
Wanneer de radio, het navigatiesysteem
of de telefoon is ingeschakeld, verschijnt
informatie over dit systeem op het
informatiedisplay.
Zo selecteert u welke informatie op het
informatiedisplay verschijnt:
Type 1 en 2
1. Druk op de rechter pijltjestoets op het
stuurwiel om het hoofdmenu binnen
te gaan.
2. Selecteer Setup met de op en neer
pijltjestoetsen en druk op de rechter
pijltjestoets.
3. Selecteer Display en druk op de
rechter pijltjestoets.
4. Selecteer Configure en druk op de
rechter pijltjestoets.
5. Om het Helpscherm,Radio Info
en Phone Info in of uit te schakelen,
kiest u de gewenste instelling en drukt
uopdeOK toets om de instelling te
bevestigen.
6. Druk op de linker pijltjestoets om het
menu te verlaten. Houd de linker
pijltjestoets ingedrukt om naar het
scherm van de boordcomputer terug
te keren.
Type 3
1. Selecteer Settings met de op en
neer pijltjestoetsen en druk op de
rechter pijltjestoets.
2. Selecteer Setup met de op en neer
pijltjestoetsen en druk op de rechter
pijltjestoets.
3. Selecteer Display en druk op de
rechter pijltjestoets.
4. Selecteer Configure en druk op de
rechter pijltjestoets.
5. Om het Helpscherm en NAV Info
in of uit te schakelen, kiest u de
gewenste instelling en drukt u op de
OK toets om de instelling te
bevestigen.
Navigatie-informatie
U kunt ook kiezen op welk moment de
navigatie-informatie op het
informatiedisplay verschijnt. Er zijn drie
mogelijkheden:
Altijd uit: Er verschijnt geen
navigatie-informatie op het
informatiedisplay.
On guidance: De
navigatie-informatie verschijnt alleen
wanneer het navigatiesysteem een
instructie wil doorgeven. Deze functie
is alleen bij enkele navigatiesystemen
beschikbaar.
Altijd aan: Navigatie-informatie
verschijnt altijd op het informatiedisplay
wanneer het navigatiesysteem is
ingeschakeld.
Instelling wanneer navigatie-informatie
moet worden weergegeven:
109
Infodisplays
Alarmsignaal
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Zie Alarm (bladzijde 52).
oranje
Alarm in werking
gezet
Laat het systeem door een goed opgeleide
monteur controleren.
-
Alarmsysteem:
Onderh. nodig
Automatische grootlichtregeling/Waarschuwingssysteem
verlaten rijstrook/waarschuwingssysteem bestuurder
Te verrichten handelingControle-
lampje
Bericht
De sensor van de frontcamera heeft verminderd
zicht. Reinig de voorruit.
oranjeFrontcamera
Ruit schoonm.
De sensor van de frontcamera heeft een storing.
Laat dit zo snel mogelijk controleren.
oranjeFrontcamera
storing
De betrokken systemen zijn tijdelijk niet
beschikbaar, en zullen hun taak na enkele
minuten weer hervatten.
oranjeFrontcamera
niet beschikb.
Neem gauw een pauze.oranjeBestuurder moe
Advies: rust
Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan
en pauzeer.
roodBestuurder moe
Rusten nu!
Het systeem heeft niet correct gewerkt. Laat
dit zo snel mogelijk controleren.
oranjeLane departure
waarsch. storing
113
Infodisplays
Accu en laadsysteem
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan
en schakel het contact uit. Laat het systeem zo
snel mogelijk door een goed opgeleide monteur
controleren.
rood
Overspanning: Ga
stoppen!
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranjeLage accuspanning
Dodehoekmonitor
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Zie Monitor dode hoek (bladzijde 89).
oranje
BLIS sensor
geblokk.
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranje
BLIS: storing
rechter sensor
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranje
BLIS: storing linker
sensor
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranjeBLIS storing
Zie Monitor dode hoek (bladzijde 89).
oranje
BLIS inactief door
aanhanger
Elektrisch bediend kinderslot
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranje
El. kinderslot
Storing
114
Infodisplays
Klimaatregeling
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Zie Extra verwarming (bladzijde 131).
oranjeAux. Heater on
Cruise control en adaptieve cruise control (ACC)
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranjeACC storing
Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
(bladzijde 192).
oranje
Maak radarsensor
schoon
Laat het systeem zo snel mogelijk door een
goed opgeleide monteur controleren.
oranje
Forward Alert
storing
Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
(bladzijde 192).
-
ACC niet beschik-
baar
Zie Snelheidsregeling (cruise control)
(bladzijde 190).
-
Cruise control
actief
Zie Snelheidsregeling (cruise control)
(bladzijde 190).
-
Cruise control
standby
Portieren open
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap.
rood
Portier open
bestuurder
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap.
rood
Portier open achter
bestuur
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap.
rood
Portier open
bijrijder
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap.
rood
Portier open achter
bijrijd
115
Infodisplays
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap.
rood
Bagageruimte
open
Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit
veilig kan en sluit de motorkap. Zie De
motorkap openen en sluiten (bladzijde 246).
roodMotorkap open
Startblokkeringssysteem
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Zie Motorstartblokkering (bladzijde 51).
oranjeImmobilisatie actief
Hellingstart
Te verrichten handeling
Controle-
lampje
Bericht
Laat het systeem door een goed opgeleide
monteur controleren.
oranje
Hellingstart niet
beschikb.
Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde
181).
oranjeHaal parkrem aan!
Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde
181).
-Hellingstart actief
Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde
181).
-Hellingstart uit
Keyless systeem
Te verrichten handelingControle-
lampje
Bericht
Laat dit zo snel mogelijk controleren.roodStuur defect
Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 47).
oranjeSleutel niet herkend
De motor draait nog. Schakel het contact uit.
Zie Sleutelloos starten (bladzijde 157).
oranjeVrt. in bedrijf druk
STOP
116
Infodisplays
De luchtverdeelknop kan in elke gewenste
stand tussen de symbolen worden gezet.
Aanjager
E75470
A
UitA
N.B.:
Wanneer u de aanjager uitschakelt
kan de voorruit beslaan.
Luchtrecirculatie
Druk op de toets om te kiezen tussen
toevoer van buitenlucht en het
recirculeren van de in het interieur
aanwezige lucht.
Interieur snel verwarmen
E71377
Ventilatie
E71378
Stel de regelknoppen van de luchtstroom,
de aanjager en luchtroosters naar wens
in.
Airconditioning
Airconditioning in- en uitschakelen
Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt
ook de airconditioning uitgeschakeld.
Wanneer u de aanjager weer inschakelt,
schakelt de airconditioning automatisch
in.
Koelen met buitenlucht
E71380
124
Klimaatregeling
Interieur snel afkoelen
E71381
Voorruitontdooienenontwasemen
E71382
Wanneer de temperatuur hoger is dan 4
°C, schakelt de airconditioning
automatisch in. Let erop dat de aanjager
aanstaat. De controlelamp in de
schakelaar brandt tijdens het ontdooien
en ontwasemen.
Wanneer u de luchtverdeelknop in een
andere stand dan stand Azet, blijft de
A/C ingeschakeld.
U kunt de airconditioning en
luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl
de luchtverdeelknop in de stand Astaat.
Schakel zo nodig de ruitverwarming in.
Zie Verwarmde ruiten en spiegels
(bladzijde 130).
N.B.:
Zet, om de achterste zijruiten te
ontdooien of te ontwasemen de
luchtroosters bij de tweede zitrij in de
ontdooi- en ontwasemstand. Zie
Ventilatieroosters (bladzijde 122).
Luchtvochtigheid in het interieur
verlagen
E71383
125
Klimaatregeling
N.B.:
In de auto modus wordt bij hoge
binnen- en buitentemperaturen voor een
maximale koeling van het interieur
automatisch de recirculatiestand
ingeschakeld. Wanneer de ingestelde
temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert
het systeem automatisch toevoer van
buitenlucht.
Automatisch temperatuurre-
gelsysteem in- en uitschakelen
N.B.:
Wanneer dit systeem is
uitgeschakeld, zijn de verwarming,
ventilatie en airconditioning voor de
voorste én achterste zones uitgeschakeld
en wordt er gerecirculeerde lucht
gebruikt.
Twee zones
E70980
Gebruik de toetsen om het systeem in en
uit te schakelen.
Drie zones
E70312
A
Druk op de toets Aom het systeem in en
uit te schakelen.
Airconditioning achterin
(automatische klimaatregeling
met drie zones)
N.B.:
Dit is alleen een koelingssysteem.
U kunt het gebruiken om de ruimte
achterin te koelen. Het systeem kan de
instelling in het achtercompartiment niet
op een hogere temperatuur brengen dan
het gemiddelde van de twee
temperatuurinstellingen voorin.
N.B.:
Wanneer het systeem is
uitgeschakeld, kunt u geen temperatuur
voor het achtercompartiment kiezen die
lager is dan het gemiddelde van de twee
instellingen voorin.
Schakelen tussen airconditioning
modus voor en achter
E70313
Druk de toets. Het symbool voor de
airconditioning achterin en de instellingen
voor het achtercompartiment verschijnen
op het display.
Wanneer het systeem in de
airconditioning modus achter zit, kunt u
de temperatuur instellen met de
draaiknop aan de bestuurderszijde.
129
Klimaatregeling
Druk nogmaals op de toets om terug te
keren naar de instellingen voorin.
Wanneer enkele seconden geen toets
wordt ingedrukt, keert het systeem
automatisch terug naar de instellingen
voorin.
Temperatuur achterin
N.B.:
U kunt verschillende temperaturen
voor de bestuurderszijde en achterin
kiezen, de mono modus wordt dan
uitgeschakeld.
N.B.:
Wanneer u op de MONO toets
drukt, worden alle drie temperatuurzones
gewijzigd in te temperatuur voor de
bestuurderszijde.
Airconditioning achterin in- en
uitschakelen
Wanneer het systeem in de
airconditioning modus achter zit, kunt u
het systeem met de toets aan- en
uitzetten. A/C OFF of A/C ON verschijnt
op het display.
N.B.:
Wanneer de airconditioning voorin
is uitgeschakeld, hebt u geen
airconditioning achterin.
Aanjager achterin
Hoge snelheid
Lage snelheid
Wanneer het systeem in de
airconditioning modus achter zit, kunt u
met de toetsen de aanjagersnelheid
regelen.
De aanjagerinstelling wordt op het display
getoond.
Wanneer het systeem in de
airconditioning modus achter zit, drukt u
op de AUTO toets om terug te gaan naar
de auto modus. In de auto modus wordt
het aanjagertoerental automatisch
geregeld. AUTO verschijnt op het display.
Automatisch
temperatuurregelsysteem achter
in- en uitschakelen
E70312
A
Wanneer het systeem in de
airconditioning modus achter zit, druk dan
op toets Aom alleen het systeem
achterin in of uit te schakelen.
VERWARMDE RUITEN EN
SPIEGELS
Verwarmbare ruiten
Schakel de ruitverwarming in om de voor-
of achterruit te ontdooien of ontwasemen.
N.B.:
De ruitverwarming werkt alleen bij
een draaiende motor.
130
Klimaatregeling
Voorruitverwarming
E72506
Achterruitverwarming
E72507
Verwarmbare buitenspiegels
IN de elektrisch bedienbare buitenspiegels
is een verwarmingselement gemonteerd
dat het spiegelglas ontdooit of
ontwasemt. Wanneer u de
achterruitverwarming inschakelt, worden
deze elementen automatisch
ingeschakeld.
EXTRA VERWARMING
Standverwarming
WAARSCHUWING
Schakel de standverwarming uit
tijdens het tanken, wanneer u zich
in een omgeving bevindt met
brandbare dampen of stoffen en in
gesloten ruimten.
De standverwarming werkt onafhankelijk
van de verwarming van de auto door het
koelvloeistofcircuit van de motor te
verwarmen. Hij wordt door de
brandstoftank van energie voorzien. U
kunt het systeem ook tijdens het rijden
gebruiken om het interieur sneller te laten
opwarmen.
Wanneer de standverwarming correct
wordt gebruikt, biedt deze de volgende
voordelen:
Het interieur wordt voorverwarmd.
De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en
condensatie wordt voorkomen.
De koude start wordt vermeden
waardoor de motor eerder op
bedrijfstemperatuur is.
N.B.:
De standverwarming werkt alleen
wanneer er zich minimaal 7,5 liter
brandstof in de tank bevindt en de
buitentemperatuur lager is dan 15 °C. De
standverwarming werkt niet wanneer de
accu slecht geladen is.
N.B.:
De verwarming werkt afhankelijk
van de buitentemperatuur.
N.B.:
Wanneer de standverwarming is
ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen
onder de zijkanten van de auto uitkomen.
Dit is normaal.
N.B.:
Bij auto's met een handmatig
geregelde verwarming, ventilatie en
airconditioning, is de verwarming van het
interieur afhankelijk van de ingestelde
temperatuur, de luchtverdeling en het
aanjagertoerental.
Om te voorkomen dat de accu wordt
ontladen:
Nadat de standverwarming een
verwarmingscyclus heeft doorlopen,
zal de volgende geprogrammeerde
verwarmingscyclus alleen worden
uitgevoerd indien de motor tussentijds
is gestart.
Rijd met de auto na een
verwarmingscyclus minimaal een
verwarmingscyclus.
Programmeerbare
standverwarming
N.B.:
De geprogrammeerde tijd is de tijd
waarop u wilt dat de auto warm is en klaar
is om weg te rijden, niet de tijd waarop de
verwarming inschakelt.
131
Klimaatregeling
N.B.:
Bij langere bedrijfsbereiken
ontvangt de afstandsbediening mogelijk
niet altijd een bevestiging van een
succesvol commando van de
afstandsbediening.
Starten
Houd de afstandsbediening met de
antenne naar boven gericht en druk
minimaal 2 seconden op de toets ON. De
LED van de afstandsbediening licht groen
op ter bevestiging dat het signaal is
ontvangen.
Uitschakelen
Houd de afstandsbediening met de
antenne naar boven gericht en druk
minimaal 2 seconden op de toets OFF.
De LED van de afstandsbediening licht
rood op ter bevestiging dat het signaal is
ontvangen.
Op afstand starten in
combinatie met directe start of
timer
E114360
De functie op afstand starten is
opgenomen in de normale
verwarmingsregeling. Standverwarmingen
die worden gestart met de functie directe
start of timer kunnen worden
uitgeschakeld met behulp van de
afstandsbediening en vice versa.
Feedback tijdens starten en
uitschakelen
De LED op de afstandsbediening licht
groen op gedurende ongeveer twee
seconden. Dit geeft aan dat het signaal is
ontvangen door de auto en dat de
verwarming is ingeschakel.
De LED op de afstandsbediening licht
rood op gedurende ongeveer twee
seconden. Dit geeft aan dat het signaal is
ontvangen door de auto en dat de
verwarming is uitgeschakeld.
De LED op de afstandsbediening knippert
groen of rood gedurende ongeveer twee
seconden. Dit geeft aan dat het dignaal
niet correct is verzonden. Herhaal de
procedure.
De LED op de afstandsbediening licht
oranje op gedurende ongeveer twee
seconden voordat deze groen of rood
wordt. Dit geeft aan dat de batterijen van
de afstandsbediening bijna leeg zijn en
moeten worden vervangen.
De LED op de afstandsbediening knippert
oranje gedurende ongeveer vijf
seconden. Dit geeft aan dat het dignaal
niet is verzonden. De batterijen van de
afstandsbediening zijn leeg en moeten zo
snel mogelijk worden vervangen.
Batterij van afstandsbediening
vervangen
Zorg dat u oude batterijen op
milieuvriendelijke wijze weggooit. Zoek
advies m.b.t. de plaatselijke regels m.b.t.
recycling.
134
Klimaatregeling
E70499
1. Druk op de rechter pijltjestoets op het
stuurwiel om het hoofdmenu binnen
te gaan.
2. Selecteer Setup met de op en neer
pijltjestoetsen en druk op de rechter
pijltjestoets.
3. Selecteer Aux. Heater en druk
nogmaals op de OK toets om de
verwarming in of uit te schakelen.
Wanneer de verwarming is
ingeschakeld verschijnt in het vak
ernaast een kruis.
4. Druk op de linker pijltjestoets om het
menu te verlaten. Houd de linker
pijltjestoets ingedrukt om naar het
scherm van de boordcomputer terug
te keren.
Extra verwarming diesel
(afhankelijk van het land)
Deze extra verwarming (PTC elektrische
verwarming) helpt bij het verwarmen van
het interieur bij auto's met dieselmotor.
Het systeem wordt afhankelijk van de
buitenluchttemperatuur, de
koelvloeistoftemperatuur en de belasting
van de dynamo automatisch in- of
uitgeschakeld.
136
Klimaatregeling
A
B
E86768
Schakelaars stoelverstelling Zie
Elektrisch verstelbare
stoelen (bladzijde 138).
A
Insteltoetsen geheugenB
In het geheugen kunnen maximaal vier
verschillende stoelinstellingen en
buitenspiegelstanden worden
opgeslagen. Ook kan de kantelstand van
de buitenspiegel tijdens het achteruitrijden
worden opgeslagen. Zie Elektrisch
verstelbare buitenspiegels (bladzijde
85).
Een stand in het geheugen
opslaan
Passieve instelling
De auto slaat de standen van de stoel en
de buitenspiegels in de vier
afstandsbedieningen of de passive keys
op. De volgende keer dat de auto wordt
ontgrendeld, wordt de laatst gebruikte
stand van de stoel en de buitenspiegels
ingesteld.
Telkens bij het afzetten van het contact,
worden de actuele standen van de stoel
en de spiegels opgeslagen in de gebruikte
afstandsbediening of passive key.
Actieve instelling
1. Zet het contact aan.
2. Stel de stoel en de buitenspiegels in
de gewenste stand.
3. Druk op de gewenste insteltoets Ben
houd deze ingedrukt tot ter
bevestiging een gongsignaal klinkt.
Een opgeslagen stoelstand
oproepen
N.B.:
Druk, om de stoel tijdens het
innemen van de stand te stoppen, een
willekeurige schakelaar stoelverstelling,
een geheugentoets of een
spiegelschakelaar in. De stoel stopt ook
met bewegen zodra de auto gaat rijden.
Passieve oproep
N.B.:
Wanneer zich meer dan één
passive key zich binnen de detectiezone
bevindt, zal de geheugenfunctie de
instellingen gebruiken van de sleutel die
het eerst werd geprogrammeerd.
Wanneer u de auto ontgrendeld met de
afstandsbediening of door aan de
portierkruk te trekken terwijl een passive
key zich binnen de detectiezone bevindt,
zullen de stoel en de spiegels in de stand
worden versteld, die in de betreffende
afstandsbediening of passive key is
opgeslagen.
Actieve oproep
Druk op de insteltoets voor de gewenste
rijpositie. De stoel en de spiegels
bewegen in de stand die onder de
insteltoets is opgeslagen.
154
Gemaksfuncties
Geheugen opnieuw
programmeren
Als het instellen van de stoelpositie wordt
onderbroken (bijv. door een obstakel of
een onderbreking van de voeding), dient
u het geheugen opnieuw te
programmeren.
N.B.:
Alle stroomverbruikers moeten zijn
uitgeschakeld.
1. Draai de contactsleutel in stand II.
2. Bedien de schakelaar stoelverstelling
om de stoel in de gewenste richting
te bewegen tot deze stopt. Zie
Elektrisch verstelbare stoelen
(bladzijde 138). Er is een klikgeluid
hoorbaar.
3. Laat de schakelaar stoelverstelling los
en houd de schakelaar direct daarna
minstens 3 seconden in dezelfde
richting gedrukt. Houd de schakelaar
ingedrukt tot de stoel stopt bij de
mechanische aanslag van de
verstelrichting. Er is een klikgeluid
hoorbaar.
4. Laat de schakelaar stoelverstelling los.
5. Bedien dezelfde schakelaar
stoelverstelling minimaal 3 seconden
in tegengestelde richting. Houd de
schakelaar ingedrukt tot de stoel stopt
bij de mechanische aanslag van de
verstelrichting. Er is een klikgeluid
hoorbaar.
KINDER
OBSERVATIESPIEGEL
E75192
CD-WISSELAAR
Deze bevindt zich onder de voorste
passagiersstoel.
AANSLUITING AUXILIARY
INGANG (AUX IN)
E71969
Zie de afzonderlijke audiohandleiding.
155
Gemaksfuncties
USB-POORT
E104423
Zie Verbinding (bladzijde 308).
VLOERMATTEN
WAARSCHUWING
Wanneer de vloermatten worden
gebruikt, zorg dan dat de
vloermatten correct worden
vastgemaakt met de correcte
bevestigingselementen, zodat de matten
geen invleod hebben op de bediening van
de pedalen.
156
Gemaksfuncties
Het stuurslot wordt na een korte periode
geactiveerd nadat de auto is geparkeerd
en de passieve sleutel zich buiten de auto
bevindt.
Stuurslot deactiveren
Schakel het contact in of:
Uitvoeringen met automatische
transmissie
Trap het rempedaal in.
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
Trap het koppelingspedaal in.
EEN BENZINEMOTOR
STARTEN
N.B.:
U kunt de startmotor per
startpoging slechts maximaal 30
seconden inschakelen.
Koude of warme motor
Alle modelvarianten
LET OP
Zet, wanneer de temperatuur lager
dan -20 ºC is, het contact minimaal
één seconde aan voordat u de motor
start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de
maximale benzinedruk wordt opgebouwd
voordat de motor wordt gestart.
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
N.B.:
Druk het gaspedaal niet in.
1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
2. Start de motor.
Uitvoeringen met automatische
transmissie
N.B.:
Raak het gaspedaal niet aan.
1. Schakel park of neutral in.
2. Druk het rempedaal volledig in.
3. Start de motor.
Alle modelvarianten
Wacht even wanneer de motor niet
binnen 15 seconden aanslaat en probeer
het nogmaals.
Wanneer de motor na drie startpogingen
nog niet is aangeslagen, wacht dan tien
seconden en ga te werk zoals is
beschreven onder Verzopen motor.
Wanneer het starten problemen oplevert
bij temperaturen onder -25 ºC, druk dan
het gaspedaal ¼ tot ½ van de pedaalslag
in en probeer het opnieuw.
Verzopen motor
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
het ingedrukt.
3. Start de motor.
Uitvoeringen met automatische
transmissie
1. Schakel park of neutral in.
2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
het ingedrukt.
3. Druk het rempedaal volledig in.
4. Start de motor.
Alle modelvarianten
Slaat de motor niet aan, herhaal dan de
startprocedure zoals beschreven onder
Koude of warme motor.
160
De motor starten
Stationair toerental na het
starten
Het stationaire toerental waarmee de
motor direct na het aanslaan draait is
afhankelijk van de motortemperatuur.
Wanneer de motor koud is, wordt het
stationaire toerental automatisch
verhoogd om de katalysator zo snel
mogelijk op temperatuur te brengen.
Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van
de auto tot een absoluut minimum
beperkt.
Het stationaire toerental neem langzaam
af tot normaal zodra de katalysator
opwarmt.
EEN BENZINEMOTOR
STARTEN - FLEX FUEL (FF,
ETHANOL)
Voor algemene informatie bij het starten
van een benzinemotor. Zie Een
benzinemotor starten (bladzijde 160).
Starten bij lage
buitentemperaturen
Indien de buitentemperatuur lager is dan
-10°C en de tank E85 bevat, moet een
motorblokverwarming worden gebruikt
om het starten te vergemakkelijken. Zie
Motorverwarming (bladzijde 163).
Gebeurt dit niet, dan kan de motor niet
worden gestart.
Indien de buitentemperatuur lager dan
-10°C blijft, is het raadzaam ongelode
benzine met een octaangetal van 95 bij
te tanken indien de tank niet geheel
gevuld is. Ongeveer 10 liter benzine brengt
de verhouding bio-ethanol E85 in een ¾
gevulde tank van 85% naar 70% terug,
waardoor de koude-starteigenschappen
aanzienlijk worden verbeterd.
Indien bij zeer lage buitentemperaturen
de tank alleen is gevuld met E85 en er
geen motorblokverwarming kan worden
gebruikt, kunt u moeilijkheden
ondervinden bij het starten van de motor.
Indien de motor niet wil aanslaan, ga dan
als volgt te werk:
1. Trap het gaspedaal volledig in.
2. Zet de contactsleutel in stand III.
LET OP
Laat de sleutel los zodra de motor
aanslaat.
3. Laat 5 seconden na het starten van
de motor het gaspedaal geleidelijk los
of wanneer het motortoerental stijgt.
Als de motor niet wordt gestart, herhaal
dan stap 1, 2 en 3 of sluit een
motorblokverwarming gedurende twee
uren aan alvorens de motor te starten.
Tijdens het starten worden de
inspuitventielen buiten werking gesteld
zolang het gaspedaal is ingedrukt. Dit kan
worden gebruikt om het teveel aan
brandstof na enkele mislukte
startpogingen uit het inlaatspruitstuk te
verwijderen.
Indien de accu losgekoppeld is geweest
of nadat een ander soort brandstof is
getankt, kan de motor met een
onregelmatig stationair toerental draaien.
Dit herstelt zich na 10 tot 30 seconden.
161
De motor starten
EEN DIESELMOTOR
STARTEN
Koude of warme motor
Alle modelvarianten
N.B.:
Wanneer de temperatuur lager is
dan -15 ºC, mag u de startmotor 25
seconden achtereen inschakelen.
Wanneer de auto frequent wordt gebruikt
bij dergelijk lage temperaturen raden wij
aan een verwarmingselement in het
motorblok te laten monteren.
N.B.:
Schakel de startmotor in tot de
motor aanslaat.
N.B.:
U kunt de startmotor per
startpoging slechts maximaal 30
seconden inschakelen.
Zet het contact aan en wacht
tot de controlelamp van het
voorgloeisysteem uitgaat.
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
N.B.:
Raak het gaspedaal niet aan.
1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
2. Start de motor.
Uitvoeringen met automatische
transmissie
1. Selecteer park of neutral.
2. Druk het rempedaal volledig in.
3. Start de motor.
DIESELROETFILTER (DPF)
Het DPF is een onderdeel van het
uitlaatgasemissiesysteem van uw auto.
Het zuivert de uitlaatgassen van
schadelijke roetdeeltjes bij auto's met
dieselmotor.
Regeneratie
WAARSCHUWING
Laat de motor niet stationair draaien
of parkeer de auto niet op droge
bladeren, droog gras of ander
brandbaar materiaal. Het
DPF-regeneratieproces werkt met
bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen
en na het afzetten van de motor en tijdens
en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een
aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
LET OP
U dient te voorkomen dat de
brandstof opraakt.
N.B.:
Nadat de motor is afgezet draaien
de ventilatoren wellicht nog een korte
periode door.
In tegenstelling tot een gewoon filter, dat
regelmatig vervangen moet worden, is
het DPF zodanig ontworpen dat het
regenereert (zichzelf reinigt) om
doeltreffend te blijven. Het
regeneratieproces vindt automatisch
plaats. Onder sommige
rijomstandigheden moet u echter het
regeneratieproces ondersteunen.
Als u alleen korte afstanden aflegt of uw
tijdens het rijden regelmatig stopt en start
(met verhoogd accelereren en
decelereren), dan kan een enkele keer
rijden onder de volgende
omstandigheden het regeneratieproces
ondersteunen:
Rijd tot 20 minuten met een constante
snelheid, bij voorkeur op een
hoofdweg of snelweg.
Voorkom langdurig stationair draaien
en neem altijd snelheidslimieten en het
type wegdek in acht.
162
De motor starten
Zet de auto niet van contact.
Kies zo nodig een lagere versnelling
dan normaal om tijdens deze rit een
hoger motortoerental te verkrijgen.
MOTOR UITSCHAKELEN
Auto's met turbocompressor
LET OP
Zet de motor niet af wanneer deze
met een hoog toerental draait. Als de
motor bij een hoog toerental wordt
afgezet, zal de turbocompressor nog
draaien nadat de oliedruk al tot nul is
gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van
de compressorlagers tot gevolg.
Laat het gaspedaal los. Wacht tot de
motor stationair draait en zet de motor af.
MOTORVERWARMING
LET OP
Onkoppel de voedingskabel van de
aansluiting van de motorverwarming
alvorens weg te rijden.
N.B.:
De stekker van de
motorverwarming bevindt zich in de
radiateurgrille aan de voorzijde van uw
auto.
E97918
Sluit de motorverwarming 2 tot 3 uur aan,
voordat u de motor start.
163
De motor starten
WERKING
Het systeem assisteert de bestuurder bij
het efficiënter rijden door voortdurend de
karakteristieken van het schakelen, het
anticiperen op verkeersomstandigheden
en de snelheid op autosnelwegen en
buitenwegen te controleren.
N.B.:
Deze rendementswaarden
resulteren niet in een vaste
brandstofverbruikswaarde. Deze kan
namelijk variëren aangezien deze niet
alleen samenhangt met de rijgewoonten,
maar ook wordt beïnvloed door veel
andere factoren zoals korte ritten en een
koude start.
N.B.:
Regelmatige korte ritten, waarbij
de motor niet volledig op
bedrijfstemperatuur komt, zullen het
brandstofverbruik ook doen toenemen.
De waarde van deze karakteristieken
wordt aangeduid door de bloemblaadjes
in het display, waarbij vijf bloemblaadjes
het efficiëntste is. Hoe efficiënter u rijdt,
hoe beter deze waarde en hoe lager het
totale brandstofverbruik.
Type 1
E121813
ABC
SchakelenA
AnticipatieB
Efficiënte snelheidC
Schakelen
Door de hoogst mogelijke versnelling voor
de betreffende rijomstandigheden te
gebruiken, verbetert het
brandstofverbruik.
Anticipatie
Door uw rijsnelheid aan te passen en de
afstand tot voertuigen voor u aan te
passen zodat hard remmen of versnellen
niet nodig is, verbetert het
brandstofverbruik.
Efficiënte snelheid
Bij een hogere snelheid wordt meer
brandstof verbruikt. Door uw kruissnelheid
op buitenwegen te verlagen, verbetert
het brandstofverbruik.
Type 2 en 3
De relevante informatie wordt in het
informatiedisplay weergegeven.
ECO-MODUS GEBRUIKEN
Toegang tot het systeem wordt
verkregen m.b.v. het relevante
informatiedisplaymenu. Zie Infodisplays
(bladzijde 98).
Eco-modus resetten
Reset het gemiddelde brandstofverbruik.
N.B.:
Het berekenen van nieuwe
waarden kan even duren.
164
Eco-modus
VEILIGHEIDSMAATREGELEN
WAARSCHUWINGEN
Stop met tanken nadat het
vulpistool voor de tweede keer is
afgeslagen. Alle brandstof die u dan
nog toevoegt vult de expansieruimte in
de brandstoftank, hetgeen er toe kan
leiden dat de brandstof overstroomt. Het
morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn
voor andere weggebruikers.
Vermijd open vuur of hittebronnen
in de nabijheid van het
brandstofsysteem. Het
brandstofsysteem staat onder druk.
Wanneer het brandstofsysteem lekt,
bestaat het gevaar van verwonding.
BRANDSTOFKWALITEIT -
BENZINE
LET OP
Gebruik geen gelode benzine of
benzine met additieven die andere
metallische bestanddelen (bijv. op
mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
het emissiesysteem beschadigen.
N.B.:
Gebruik uitsluitend brandstof van
hoge kwaliteit zonder additieven of
andere toevoegingen.
Gebruik ongelode benzine met een
minimum octaangetal van 95 die
voldoet aan de specificatie EN 228, of
een equivalent.
BRANDSTOFKWALITEIT -
FLEX FUEL (FF, ETHANOL)
WAARSCHUWINGEN
Breng geen wijzigingen aan het
brandstofsysteem of onderdelen
ervan aan.
WAARSCHUWINGEN
Vervang het brandstofsysteem of
componenten ervan niet door
onderdelen die niet specifiek zijn
ontworpen voor gebruik van E85.
LET OP
Gebruik geen gelode benzine of
benzine met additieven die andere
metallische bestanddelen (bijv. op
mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
het emissiesysteem beschadigen.
Gebruik geen methanol in plaats van
E85.
N.B.:
Gebruik uitsluitend brandstof van
hoge kwaliteit zonder additieven of
andere toevoegingen.
N.B.:
Tijdens gebruik van E85 kan het
brandstofverbruik hoger zijn.
N.B.:
De auto functioneert naar behoren
op commerciële ongelode benzine met
octaangetal 95. E85 van een hoge
kwaliteit levert echter dezelfde
bescherming en prestaties.
Gebruik ongelode benzine met een
minimum octaangetal van 95 die
voldoet aan de specificatie EN 228, of
een equivalent. U kunt tevens een
mengsel van ongelode benzine en E85
gebruiken.
Opslaan voor de lange termijn
Vanwege kleine hoeveelheden
corrosiebevorderende verontreinigingen
in E85 wordt aanbevolen de tank alleen
te vullen met ongelode benzine met een
octaangetal van 95 alvorens de auto voor
een langere periode niet te gebruiken.
165
Brandstof en tanken
BRANDSTOFKWALITEIT -
DIESEL
WAARSCHUWING
Meng de dieselolie niet met olie,
benzine of andere vloeistoffen. Deze
kunnen een chemische reactie
veroorzaken.
LET OP
Voeg geen kerosine, paraffine of
petroleum aan de dieselolie toe.
Deze kunnen het brandstofsysteem
beschadigen.
Gebruik dieselolie die voldoet aan de
specificatie EN 590, of de
betreffende nationale specificatie.
N.B.:
We adviseren alleen brandstof van
hoge kwaliteit te gebruiken.
N.B.:
Het gebruik van niet door Ford
goedgekeurde additieven of andere
motorbehandelingen worden door Ford
afgeraden.
N.B.:
Wij raden het langdurig gebruik van
additieven af die vlokvorming moeten
voorkomen.
Opslaan voor de lange termijn
De meeste dieselbrandstoffen bevatten
biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd
niet wordt gebruikt (meer dan twee
maanden), dan wordt aanbevolen de tank
enkel met diesel op aardoliebasis (indien
beschikbaar) te vullen of een antioxidant
aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer
kan u helpen met een geschikte
antioxidant.
KATALYSATOR
WAARSCHUWING
Laat de motor niet stationair draaien
of parkeer de wagen niet op droge
bladeren, droog gras of ander
brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik
van de motor en na het afzetten van de
motor straalt het uitlaatsysteem veel
warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar
van brand.
Rijden met een auto met
katalysator
LET OP
Zorg ervoor dat u de tank niet leeg
rijdt.
Schakel de startmotor niet langdurig
achtereen in.
Laat de motor niet met een
losgekoppelde bougiekabel draaien.
Sleep of duw de auto niet aan.
Gebruik hulpstartkabels. Zie
Gebruik van startkabels
(bladzijde 260).
Zet het contact tijdens het rijden niet
af.
TANKKLEP
WAARSCHUWINGEN
Voorkom dat tijdens het tanken
brandstof wordt gemorst, die zich
in het vulpistool bevindt.
Vermijd open vuur of hittebronnen
in de nabijheid van het
brandstofsysteem. Het
brandstofsysteem staat onder druk.
Wanneer het brandstofsysteem lekt,
bestaat het gevaar van verwonding.
166
Brandstof en tanken
LET OP
Wanneer u een hogedrukspuit
gebruikt om uw wagen te wassen,
spuit dan kort op de tankklep vanaf
een afstand van niet minder dan 20
centimeter (8 inch).
N.B.:
Met het centraal
vergrendelingssysteem wordt ook de klep
van de brandstofvulopening vergrendeld
en ontgrendeld. Zie Vergrendelen en
ontgrendelen (bladzijde 43).
E86613
Druk op de klep om deze te openen.
Open de klep volledig tot hij vergrendelt.
Wanneer u het vulpistool plaatst, opent
een veerbelaste klep wanneer de
correcte vulpistooldiameter wordt
geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen
dat onjuiste brandstof wordt getankt.
WAARSCHUWING
Stop met tanken nadat het
vulpistool voor de tweede keer is
afgeslagen. Alle brandstof die u dan
nog toevoegt vult de expansieruimte in
de brandstoftank, hetgeen er toe kan
leiden dat de brandstof overstroomt. Het
morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn
voor andere weggebruikers.
E119080
Breng het vulpistool tot en met de eerste
nok op het vulpistool in. Laat het rusten
op de afdekking van de vulbuis.
WAARSCHUWING
Wij raden aan minimaal 10 seconden
te wachten alvorens het vulpistool
uit de vulbuis te halen, zodat alle
achtergebleven brandstof in de
brandstoftank kan stromen.
E119081
Til het vulpistool licht op om het te
verwijderen.
Er bevindt zich een trechter in de
opbergruimte onder de vloer achter de
voorstoelen. Zie Opbergruimtes
(bladzijde 151). Gebruik deze wanneer u
brandstof uit een jerrycan tankt.
167
Brandstof en tanken
TANKEN
LET OP
Probeer niet de motor te starten
wanneer u de tank met de onjuiste
brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
kan de motor worden beschadigd. Laat
het systeem onmiddellijk door een
geschoolde monteur controleren.
TANKEN - FLEX FUEL (FF,
ETHANOL)
LET OP
Probeer niet de motor te starten
wanneer u de tank met de onjuiste
brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
kan de motor worden beschadigd. Laat
het systeem onmiddellijk door een
geschoolde monteur controleren.
Laat de motor na het tanken 5 minuten
met een rijsnelheid van boven de 48 km/h
werken om het risico van een langere
herstarttijd van de motor te verkleinen.
BRANDSTOFVERBRUIK
De CO2 waarden en de
brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van
laboratoriumtests volgens EEC richtlijn
80/1268/EEC en aanvullingen daarop.
Deze richtlijnen worden door alle
automobielfabrikanten aangehouden.
Deze gegevens zijn bedoeld voor het
vergelijken van merken en modellen. Ze
zijn niet bedoeld als weergave van het
werkelijke brandstofverbruik van uw
wagen. Het werkelijke brandstofverbruik
wordt door vele factoren bepaald,
waaronder de rijstijl, rijden met hoge
snelheden, starten/stoppen, gebruik van
de airconditioning, de gemonteerde
accessoires, rijden met een aanhanger,
enz.
Uw Ford dealer dient u gaarne van advies
hoe u het brandstofverbruik kunt
verlagen.
TECHNISCHE SPECIFICATIE
S-MAX
Brandstofverbruikscijfers
CO2-
emissie
Gecombi-
neerd
Buitenweg
Stadsver-
keer
Variant
g/km
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
1948,1 (34,9)6,4 (44,1)11,0 (25,7)
2.0L Duratec-HE fase IV
(107 kW/145 pk)
1898,2 (34,5)6,4 (44,1)11,3 (25,0)
2.0L Duratec-HE fase V
(107 kW/145 pk)
168
Brandstof en tanken
CO2-
emissie
Gecombi-
neerd
Buitenweg
Stadsver-
keer
Variant
g/km
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
1898,1 (34,9)6,4 (44,1)11,0 (25,7)2.0L EcoBoost SCTi
2329,7 (29,1)7,4 (38,2)13,7 (20,6)
2.3L Duratec-HE (118
kW/161 pk), 6-traps automa-
tische transmissie
1596,0 (47,1)5,0 (56,5)7,7 (36,7)
2.0L Duratorq-TDCi fase IV,
Durashift handgeschakelde
6-versnellingsbak
1525,7 (49,6)4,9 (57,6)7,2 (39,2)
2.0L Duratorq-TDCi fase V,
Durashift handgeschakelde
6-versnellingsbak
1897,2 (39,2)5,7 (49,6)9,7 (29,1)
2.0L Duratorq-TDCi fase IV
(100 kW/136 pk), 6-traps
automatische transmissie
1596,0 (47,1)5,2 (54,3)7,4 (38,2)
2.0L Duratorq-TDCi fase V,
6-traps automatische
transmissie
1766,6 (42,8)5,2 (54,3)9,0 (31,4)
2.2L Duratorq-TDCi, Duras-
hift handgeschakelde 6-
versnellingsbak
Galaxy
Brandstofverbruikscijfers
CO2-
emissie
Gecombi-
neerd
Buitenweg
Stadsver-
keer
Variant
g/km
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
1978,2 (34,5)6,5 (43,5)11,2 (25,2)
2.0L Duratec-HE fase IV
(107 kW/145 pk)
1898,2 (34,5)6,4 (44,1)11,3 (25,0)
2.0L Duratec-HE fase V
(107 kW/145 pk)
1898,1 (34,9)6,4 (44,1)11,0 (25,7)2.0L EcoBoost SCTi
169
Brandstof en tanken
CO2-
emissie
Gecombi-
neerd
Buitenweg
Stadsver-
keer
Variant
g/km
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
l/100 km
(mpg)
2359,8 (28,8)7,5 (37,7)13,8 (20,5)
2.3L Duratec-HE (118
kW/161 pk), 6-traps automa-
tische transmissie
1596,0 (47,1)5,0 (56,5)7,7 (36,7)
2.0L Duratorq-TDCi fase IV,
Durashift handgeschakelde
6-versnellingsbak
1525,7 (49,6)4,9 (57,6)7,2 (39,2)
2.0L Duratorq-TDCi fase V,
Durashift handgeschakelde
6-versnellingsbak
1897,2 (39,2)5,7 (49,6)9,7 (29,1)
2.0L Duratorq-TDCi fase IV
(100 kW/136 pk), 6-traps
automatische transmissie
1596,0 (47,1)5,2 (54,3)7,4 (38,2)
2.0L Duratorq-TDCi fase V,
6-traps automatische
transmissie
1796,7 (42,2)5,3 (53,3)9,1 (31,0)
2.2L Duratorq-TDCi, Duras-
hift handgeschakelde 6-
versnellingsbak
170
Brandstof en tanken
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
LET OP
Schakel de achteruit niet in wanneer
de wagen in beweging is. Dit kan
inwendige schade aan de
versnellingsbak veroorzaken.
E99067
Bij sommige auto's moet de kraag
omhoog worden gebracht tijdens
inschakelen van de achteruit.
AUTOMATISCHE
TRANSMISSIE
Keuzehendelstanden
E80836
S
ParkeerstandP
AchteruitR
NeutraalN
RijdenD
Sportmodus en handmatig
schakelen
S
WAARSCHUWING
Druk het rempedaal in voordat u de
keuzehendel verplaatst; houd het
rempedaal ingedrukt tot u klaar bent
om weg te rijden.
N.B.:
Wanneer de motor koud is, is het
stationaire toerental hoger. Daarom heeft
de wagen meer de neiging te gaan
kruipen wanneer u een rijstand hebt
ingeschakeld.
Druk de knop op de keuzehendel in om
de achteruit en de parkeerstand te
kunnen inschakelen.
De stand van de keuzehendel wordt op
het informatiedisplay weergegeven.
171
Versnellingsbak/transmissie
WAARSCHUWING
Wanneer de HLA actief is en het
systeem een storing waarneemt,
wordt de HLA gedeactiveerd en
verschijnt het bericht Please use park
brake! gevolgd door Hill Launch A
.not available op het display. U kunt
veilig met de wagen rijden en de storing
kan bij de volgende onderhoudsbeurt
worden verholpen. Het bericht Hill
Launch A. not available verschijnt ook
op het informatiedisplay bij handmatige
bediening tijdens een storing of wanneer
niet aan één van de
activeringsvoorwaarden wordt voldaan.
Wanneer u de HLA hebt uitgeschakeld,
verschijnen er geen berichten op het
display.
De HLA uitschakelen
Voer een van de volgende handelingen
uit om de HLA te deactiveren:
Bedien de parkeerrem of de
elektrische parkeerrem (EPB) .
Wacht twee tot drie seconden tot de
HLA automatisch deactiveert.
Wanneer een vooruit versnelling was
ingeschakeld toen de HLA actief werd,
schakel dan de achteruit in.
Wanneer de achteruit was
ingeschakeld toen de HLA actief werd,
schakel dan een vooruit versnelling in.
Hill Launch Assist off verschijnt op het
informatiedisplay.
183
Regeling voor bergop rijden
Auto's zonder snelheidsbegrenzer
E124908
A
C
E
D
B
ACC aanA
ACC annulerenB
ACC uitC
ACC afstand vergrotenD
ACC afstand verkleinenE
Auto's met snelheidsbegrenzer
E124909
A
C
E
D
B
ACC aan/uitA
ACC annulerenB
Snelheidsbegrenzer aan/uitC
ACC afstand vergrotenD
ACC afstand verkleinenE
ACC inschakelen
Druk op de schakelaar A. Het systeem zit
nu in de stand-by modus en op het
informatiedisplay verschijnt Standby.
Snelheid instellen
E70615
N.B.:
Het systeem moet in de stand-by
modus zitten.
Druk op de SET+ schakelaar of de SET-
schakelaar om de gewenste snelheid in
te stellen. De snelheid wordt op het
informatiedisplay weergegeven en
opgeslagen als de ingestelde snelheid.
De ACC controlelamp brandt.
N.B.:
De rijsnelheid kan in stappen van 5
km/h of 5 mph worden verhoogd of
verlaagd. Kleinere stappen van 1 km/h of
1 mph kunnen worden ingesteld door de
RES schakelaar in te drukken.
Ingestelde snelheid
veranderen
Druk, om de snelheid te verhogen of te
verlagen, op de SET+ of de SET-
schakelaar.
194
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
ACC uitschakelen
Trap het rempedaal in of druk op
schakelaar B. Het systeem keert dan in
de stand-by modus, maar de ingestelde
snelheid en afstand worden in het
geheugen opgeslagen. De ACC
controlelamp dooft.
N.B.:
Het systeem kan worden
gedeactiveerd als het koppelingspedaal
wordt ingetrapt.
ACC opnieuw inschakelen
Druk op de RES schakelaar. De ACC
controlelamp gaat branden en het
systeem handhaaft de eerder ingestelde
snelheid en afstand wanneer de
omstandigheden dit toelaten.
ACC uitschakelen
Auto's zonder snelheidsbegrenzer
Druk op schakelaar C.
N.B.:
Door schakelaar Cin te drukken,
keert het systeem niet terug in de
stand-by modus. De opgeslagen snelheid
wordt gewist.
N.B.:
Druk op schakelaar Bom het
systeem tijdelijk uit te schakelen.
Auto's met snelheidsbegrenzer
Druk op de schakelaar A.
N.B.:
Door schakelaar Ain te drukken,
keert het systeem niet terug in de
stand-by modus. De opgeslagen snelheid
wordt gewist.
N.B.:
Druk op schakelaar Bom het
systeem tijdelijk uit te schakelen.
Automatisch uitschakelen
Het systeem is afhankelijk van diverse
andere veiligheidssystemen, zoals ABS
en ESP. Wanneer een van deze systemen
niet goed werkt of reageert op een
noodsituatie wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
Bij een automatische uitschakeling klinkt
een signaal en verschijnt het bericht ACC
cancel op het informatiedisplay. U moet
dan ingrijpen en uw rijsnelheid en de
afstand tot uw voorligger aanpassen.
Een automatische uitschakeling kan
plaatsvinden wanneer:
de snelheid afneemt tot onder 30
km/h (20 mph)
de wielen de grip op het wegdek
verliezen
de temperatuur van de remmen hoog
is, bijvoorbeeld tijdens het rijden door
de bergen of over heuvelachtige
wegen
het motortoerental te laag is
de radarsensor is afgedekt
de handrem of elektrische parkeerrem
(EPB) wordt gebruikt.
Wanneer het motortoerental te laag
wordt, verschijnt een mededeling op het
informatiedisplay dat u moet
terugschakelen (alleen handgeschakelde
versnellingsbak). Wanneer u deze
aanbeveling niet opvolgt, gaat het
systeem automatisch naar de
uitgeschakelde modus.
N.B.:
Het systeem werkt niet wanneer
de elektronische stabiliteitsregeling (ESP)
handmatig is uitgeschakeld.
196
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
FUNCTIE VOORGANGER-
WAARSCHUWING
(FORWARD ALERT)
Het systeem helpt u door u te
waarschuwen voor een aanrijding en de
zwaarte van een ongeval met een
voorligger te reduceren. Dit werkt door
gebruik te maken van de volgende
methodes:
u wordt geattendeerd op een
potentiële aanrijding, dus kunt u
eerder remmen dan normaal.
het remsysteem wordt ondersteund
waardoor maximaal effectief kan
worden geremd.
De waarschuwing voor een aanrijding
vindt alleen plaats wanneer het systeem
is ingeschakeld; de ondersteuning van
het remsysteem is altijd ingeschakeld en
kan niet worden uitgeschakeld. De
waarschuwingen vinden zowel visueel als
akoestisch plaats. De ondersteuning van
het remsysteem wordt zo nodig
automatisch geactiveerd om de snelheid
waarmee de aanrijding plaatsvindt te
reduceren. De ondersteuning van het
remsysteem reduceert alleen de snelheid
waarmee de aanrijding plaatsvindt
wanneer u onmiddellijk na de
waarschuwing remt.
WAARSCHUWINGEN
Wacht nooit tot een waarschuwing
voor een aanrijding. Tijdens het
rijden bent u verantwoordelijk voor
het handhaven van de juiste afstand en
snelheid, ook wanneer het systeem is
ingeschakeld.
Het systeem reageert alleen op
voertuigen die vóór u in dezelfde
richting rijden en reageert niet op
langzaam rijdende of stilstaande
voertuigen.
WAARSCHUWINGEN
Rijd nooit op een zodanige manier
dat het systeem wordt geactiveerd.
Het systeem is uitsluitend bedoeld
om in noodsituaties te assisteren.
Het systeem waarschuwt u met
gonggeluiden en een visuele
waarschuwing op het informatiedisplay.
Zie Infoberichten (bladzijde 111).
Wanneer Forward Alert wordt
gedeactiveerd, dan wordt de lamp in het
display ingeschakeld. Zie
Waarschuwings- en
indicatielampen (bladzijde 94).
Het systeem werkt niet onder alle rij-,
verkeers-, weers- en
wegomstandigheden.
De radarsensor registreert voertuigen die
in dezelfde richting vóór u rijden. Wanneer
na de eerste waarschuwing de kans op
een aanrijding blijft toenemen, wordt de
ondersteuning van het remsysteem
ingeschakeld. De ondersteuning van het
remsysteem bereidt het remsysteem
voor op snel remmen en de remmen
komen soepel in aangrijping, hetgeen als
een lichte schok kan worden ervaren.
Wanneer het rempedaal voldoende snel
is ingedrukt treden de remmen met volle
kracht in werking, ook al wordt het
rempedaal licht ingedrukt.
LET OP
Waarschuwingen kunnen laat, niet of
onnodig in werking worden gesteld
wanneer de verkeerssituatie ertoe
leidt dat de radarsensor niet accuraat de
voorligger kan registreren. Het systeem
maakt gebruik van dezelfde radarsensor
als de adaptive cruise control (ACC) en
heeft daardoor dezelfde beperkingen.
Zie Werking (bladzijde 192).
197
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
N.B.:
U kunt het systeem al dan niet
samen met de ingeschakelde ACC
gebruiken.
Forward alert in- en
uitschakelen
Zie Algemene informatie (bladzijde
98).
Gevoeligheid voor de
waarschuwingen instellen
U kunt de gevoeligheid van het
waarschuwingssysteem instellen met de
knoppen op het stuurwiel. Zie
Algemene informatie (bladzijde 98).
Deze regelt hoe snel de visuele en
akoestische waarschuwing wordt
geactiveerd.
198
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
WERKING
WAARSCHUWINGEN
Het systeem is niet bedoeld om de
bestuurder te ontheffen van zijn
plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn.
Indien de camerasensor versperd
raakt, is het mogelijk dat het
systeem niet werkt.
Het is mogelijk dat
rijstrookmarkeringen niet altijd goed
gevolgd worden door de sensor.
Andere structuren of voorwerpen kunnen
soms verkeerd als rijstrookmarkering
gedetecteerd worden, hetgeen kan
resulteren in een valse of gemiste
waarschuwing.
LET OP
Onder koude en barre
weersomstandigheden is het
mogelijk dat het systeem niet werkt.
Regen, sneeuw, opspattend water en
grote contrasten in verlichting kunnen de
sensor allemaal nadelig beïnvloeden.
Indien u te dicht achter auto's vóór u
rijdt, is het mogelijk dat het systeem
de rijstrookmarkeringen niet goed
kan volgen.
Het is mogelijk dat het systeem niet
werkt in gebieden met
wegwerkzaamheden.
Het is mogelijk dat het systeem niet
werkt op wegen met scherpe
bochten of smalle rijstroken.
Voorruitreparaties mogen niet in de
onmiddellijke nabijheid van de
camerasensor worden uitgevoerd.
Indien uw auto is uitgerust met een
niet door ons goedgekeurde
wielophangingsset, is het mogelijk
dat het systeem niet naar behoren werkt.
N.B.:
Houd de voorruit vrij van
belemmeringen zoals uitwerpselen van
vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.:
Het systeem is bedoeld als
hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
hoofdwegen en snelwegen.
N.B.:
Het is mogelijk dat het systeem niet
werkt tijdens hard remmen of
accelereren, en wanneer u de auto met
opzet verkeerd bestuurt.
N.B.:
Het systeem werkt alleen boven
rijsnelheden van ca. 65 km/h.
Het systeem registreert en volgt
automatisch de rijstrookmarkeringen op
de weg. Indien het registreert dat de auto
onbedoeld naar de rijstrookgrenzen
afdrijft, wordt een visuele waarschuwing
weergegeven in het informatiedisplay.
Ook wordt een waarschuwing gegeven
in de vorm van een trilling die in het
stuurwiel voelbaar is.
Een camerasensor is centraal achter de
voorruit van de auto aangebracht en
controleert continu de omstandigheden
om u te waarschuwen voor onbedoeld
afdrijven van het midden van de rijstrook
bij hoge snelheden.
Door bewust overschrijden van de
rijstrookmarkeringen gecombineerd met
het gebruik van de juiste richtingaanwijzer
wordt het systeem niet geactiveerd.
N.B.:
Het systeem werkt met slechts één
gevolgde rijstrookmarkering, of twee
indien de weg meerdere rijstroken heeft
die zichtbaar zijn voor de camera.
203
Waarschuwing rijden buiten baan
WAARSCHUWING RIJDEN
BUITEN BAAN GEBRUIKEN
Het systeem in- en
uitschakelen
N.B.:
Wanneer het systeem is
uitgeschakeld, blijft een
waarschuwingslampje in het
informatiedisplay branden. Zie
Waarschuwings- en
indicatielampen (bladzijde 94).
N.B.:
De systeemstatus en instellingen
blijven onveranderd tijdens
ontstekingscycli.
Activeer het systeem m.b.v. de
schakelaars op de
richtingaanwijzerhendel.
E131360
A
B
Lane-departure waarschuwing
ingeschakeld
A
Lane-departure waarschuwing
uitgeschakeld
B
Trillingsniveau in stuurwiel
afstellen
Het systeem heeft drie intensiteitsniveaus
die m.b.v. het informatiedisplay kunnen
worden ingesteld. Zie Algemene
informatie (bladzijde 98).
De gevoeligheid van het
systeem instellen.
U kunt instellen hoe snel het systeem u
voor een gevaarlijke situatie waarschuwt.
Het systeem heeft twee
gevoeligheidsniveaus die m.b.v. het
informatiedisplay kunnen worden
ingesteld. Zie Infodisplays (bladzijde
98).
Systeemwaarschuwingen
Eenmaal geactiveerd, geeft het systeem
de status van de auto ten opzichte van
de rijstrookmarkeringen weer.
E131361
Een kolom punten of cirkels wordt
weergegeven aan weerszijden van een
tekening van de auto, die de
rijstrookmarkeringen voorstellen.
E131362
204
Waarschuwing rijden buiten baan
BAGAGEVERANKERINGSPUNTEN
Galaxy
A B
AB
C
E75393
A B
C
207
Transport
S-MAX
A B
AB
C
AC
B
E75394
Uitvoeringen zonder stoelen op de derde zitrij. Trek de vloerbedekking omhoog
om de verankeringspunten te kunnen bereiken.
B1
Uitvoeringen met stoelen op de derde zitrij.B2
208
Transport
SCHUIFBARE LAADVLOER
WAARSCHUWING
Schuif de laadvloer niet naar
achteren wanneer de wagen met
de voorzijde naar boven op een
helling van 15 graden of meer staat.
LET OP
Het maximum toelaatbare gewicht
op de schuifbare laadvloer bedraagt
200 kg.
Het maximum toelaatbare gewicht op het
uiteinde van de schuifbare laadvloer bij
volledig uitgetrokken laadvloer (buiten de
bagageruimte uitgetrokken) bedraagt 120
kg.
E74810
Druk de ontgrendelhendel in en trek de
laadvloer naar achteren. Deze stopt en
wordt in het midden vergrendeld.
E74811
Druk om de laadvloer geheel uit te
schuiven, de ontgrendelhendel opnieuw
in en schuif de vloer uit tot deze in de
eindstand wordt vergrendeld.
Druk, om de laadvloer naar voren te
schuiven, de ontgrendelhendel in en duw
de vloer naar voren.
N.B.:
U hoeft weinig kracht op de
ontgrendelhendel uit te oefenen wanneer
u bij het indrukken van de
ontgrendelhendel de laadvloer licht naar
voren drukt.
Opbergvak
In de vloer aan de achterzijde van de
bagageruimte bevindt zich een
opbergvak.
Til, om toegang te krijgen tot dit
opbergvak, de laadvloer als volgt op:
209
Transport
E74812
1
2
E74813
3
1. Druk de ontgrendelhendel in en trek
de laadvloer iets naar achteren.
2. Til de achterzijde van de laadvloer 1)
omhoog.
3. Druk de vloer naar voren tot deze aan
de voorzijde (2) tegen de aanslag
komt.
4. Maak de steun los van de klem op de
onderzijde van de vloer.
5. Breng het uiteinde aan in de vierkante
houder in de rail aan de linkerzijde (3).
6. Til het bagage-afdekpaneel aan de lus
omhoog.
Laadvloer in de normale stand
terugbrengen:
1. Houd de vloer met een hand vast en
maak de steun aan de andere zijde
los.
2. Breng de steun weer in de klem aan.
3. Laat de vloer zakken.
4. Druk de ontgrendelhendel in en trek
de laadvloer naar achteren tot hij op
zijn plaats op de rails valt.
OPBERGRUIMTE ONDER
VLOER ACHTERIN
E72983
Uitvoeringen met een
uitschuifbare laadvloer
Trek de laadvloer omhoog om toegang
tot het opbergvak te verkrijgen. Zie
Schuifbare laadvloer (bladzijde 209).
210
Transport
S-MAX
Uitvoeringen zonder stoelen op de
derde zitrij
E75395
BAGAGENETTEN
Bagagenet - type 1
WAARSCHUWING
Wanneer het bagagenet is
aangebracht, ga dan niet op de
stoelen erachter zitten.
LET OP
Houd een afstand van minimaal een
centimeter aan tussen het
bagagenet en de stoelen ervoor.
U kunt het net in de volgende standen
aanbrengen:
A B
AB
A
B
E75891
Achter de voorstoelenA
Achter de stoelen op de
tweede zitrij
B
211
Transport


Produkt Specifikationer

Mærke: Ford
Kategori: Personbil
Model: Galaxy - aug 2010 - okt 2010

Har du brug for hjælp?

Hvis du har brug for hjælp til Ford Galaxy - aug 2010 - okt 2010 stil et spørgsmål nedenfor, og andre brugere vil svare dig